Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DE LIEFDE VII.

Ik zal den kelk des levens tot den laatsten druppel ledigen — en de liefde op den bodem vinden. Maar voor dien zal ik er ook niet tevreden mee zijn. Wij zijn drempels overgegaan, de laatste dagen, die ik in den grond van mijn hart niet verwacht had met haar ooit te zullen overschrijden. Het maakt me bevreesd. Zij heeft plotseling het stuur, van ons schip in handen genomen, op een oogenblik, dat ik alles, maar dan ook alles had opgegeven. Dat heeft dus de poorten van haar hart geopend. En is er nu een heerlijker vrouw ter wereld denkbaar? Haar liefde is zoo juichend, zoo sterk, zoo (wonderlijk wonderlijk!) door niets meer af te schrikken, dat mijn liefste droomen nu wel verwezenlijkt zijn.

Maar direkt achter den vrede, die ik vind in haar armen, rijst het beeld, dat zich als een vrede van hooger orde aandient. Ik zie een zolderkamertje in Parijs, waar ik leef en werk in eenzaamheid, in een direkt kontakt, in een liefde-verband met het Leven zelf.

De oude droom waarmee ik tot in mijn meest volkomen overgave nog rekening hield !

Maar als voor een dergelijke vrijheid zonder welke voor mij dus blijkbaar geen scheppen mogelijk is, alle banden zijn losgemaakt, zal ook mijn zinnelijkheid weer hoogtij vieren, en er zal geen ééne liefste zijn om me aan op te trekken; want ik heb me aan haar opgetrokken altijd weer, als alles faalde en zij alléén daar nog stond, en dan, als ze me weer in haar armen ontving, ben ik haar altijd weer, eenmaal behouden, voorbijgestreefd, de brug over tusschen mijn laagste en mijn hoogere wereld.

Zoo was ze een brug, maar als zoodanig trouw je niet met een. vrouw. Ook al zegt zij zelf honderdmaal, dat ik ook met haar mijn vrijheid kan bewaren. Ze kijkt daarbij naar de uiterlijkheden : we zullen géén burgermenschjes worden, o nee! Maar

Sluiten