Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REISBRIEVEN V.

Weenen—Salzburg.

We leven hier in een wonderlijk klimaat. Overdag een subtropische zon, die loom maakt en duizelig, die een fel licht ontsteekt op de witte toppen in de azuren lucht, de gletschers gevaarlijk-vochtig doet glanzen en over de hellingen waar de sneeuw al is verjaagd een paarsen gloed toovert van eerste zomersche violen •— 's nachts een vrieskou, Europeescher dan die van Bandoeng en Tosari, zoodat de wegen zich weer verharden, het water der ontelbare wellen en kleine watervallen weer stolt tot kristallen kegels en fantastische grotten, en men in den vroegen morgen weer genoegelijk sleeën kan.

De reis van Weenen naar dit land der kontrasten — waar de roodblonde trekossen den waardigen kop hebben der Indische karbouwen, waar de ranke dennen, die de metalen rotsen omkleeden tot aan den rand der eeuwig-witte kruinen, onbeweeglijk staan in de felle zon als de Javaansche tjemara's — is een bijna onafgebroken stijging uit de sombere vlakte, waar de groote stad worstelt en ontbeert, denkt, hoopt en beraadt, door de donkere Wachau, waar de groote rivier zich peinzend langs de oude grijze ruïnes sleept, tot de ijle witte hoogten, waar alle denken wordt gebannen en oplost en verloren gaat in een schier oneindige ruimte.

Die reis was voor mij nog van een bijzondere bekoring doordat een verliefd beambte der voormalig keizerlijk-koninklijke spoorwegen mijn coupé had uitgekozen voor zijn, een spoorwegman waardig, herdersuurtje met een lieve Weensche vriendin. Was ze aanvankelijk een beetje gereserveerd, zich op wreede wijze tegen zijn zichtbaar oprechte liefde verdedigend met toespelingen op allerlei vroegere avonturen, zooiets duurt bij een Wienerin toch meestal niet al te lang, en na een kwartier, waarin ik duidelijk voelde door mijn remmende tegenwoordigheid te hebben meegeholpen aan de geleidelijke en harmonische ontwikkeling hunner betrekkingen, vond ik reeds het oogenblik gekomen me in den

Sluiten