Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

107

verzekeren, dat het wel degelijk de Rathausberg was, die we vanuit het idyllisch gelegen Böckstein (aan de samenvloeiing van Alauf- en Nassfelder Ache) op een vroegen en natten morgen bestegen, met als doel het Nassfeld, een 1600 M. hoog plateau, oorsprong van onze altijd opgewonden bergbeek (die zélf weer een van de voedstertjes van den grooten Donau is) en zetel van de eenige nog effectieve goudmijn-exploitatie.

De beek laten we al heel gauw achter. Wij stijgen, zorgvuldig plantend bergstok en voeten op de glibberige moddersneeuw van het smalle pad, en onze gezellin blijft ganschelijk beneden, waar ze het water heeft te ontvangen van de honderd valletjes, die druipen en sluieren langs de overal natte rotsen, en uit de vervaarlijke gletschers, smal van boven, breed en vuil aan den voet, die zich waaiervormig in het dal vereenigden tot een grauw-grijs sneeuwveld, overal dragend nog de steenen boomstronk-sporen van de laatste verwoestende lawines.

We ontstijgen het dal en de eerste symptomen van een milder getij, en verliezen ons in de verblindende witheid van deze hooge, eenzame velden waar de sneeuw nog een meter hoog ligt, blank, soms van een doorschijnend hemelsblauw, waar geen geluid meer is dan van het zacht zich voegen der versche droge vlokken op den witten weg, de witte bermen en de witte boomen, soms het geraas van neerrollende steenen, losgeraakt heel hoog van een overbuigende rotspunt en meesleepend in hun vaart wat hun in den weg komt, en, heel diep, het ruischen van de onverstoorbare beek.

In deze omgeving ontmoeten we een man, lang en gebaard, een slordige sombrero over de oogen, een houweel over zijn schouder en gekleed in een soort bruine pij, waarop zakken zijn genaaid van blauwe katoen en rose satinet, versteld met lappen in alle denkbare kleuren. We spreken hem aan, en hij blijkt een wegwerker, wiens levensgrief het is, dat zijn Oostenrijksche vaderland de overrijke goudaderen, kopermijnen en asbestvoorraden in deze buurt op zoo armzalige en onvoldoende wijze ontgint. Vóór den oorlog hielden buitenlandsche arbeiders den boel nog wat op gang, maar op 't oogenblik, aldus deze autoriteit, liggen drie der vier goudwerken geheel stil, terwijl die op het Nassfeld slechts over een 200 arbeiders heeft te beschikken, die dan nog geheel onvoldoende gehuisvest zijn, zoodat men ze met moeite aan het werk houdt. De man raakt in

Sluiten