Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

129

Opdat Gij rijk wordt

En ik naakt en arm als een kind,

En ik licht en bereid,

Vrij van verlangen, beschut tegen alle teleurstelling. Machtig en groot staat Gij achter mij In het teeken des Kruises. Niemand ziet mij. Ieder ziet U.

Zal ik aan U denken, en het zachtjes beamen: Hoe groot zijt Gij, o mijn Meester! En als men zegt: hoeveel danken wij hem niet! Zal ik tot II opzien, en met de anderen Bloemen en myrrhe offeren op het altaar Uwer Liefde.

Zoo zal ik, wat men ook tot mij spreke

Overdragen op U, die mijn waarlijk Wezen zijt.

Totdat ik vergeten zal zijn

AVie ik ben.

En nog slechts weet

Wie Gij zijt.

Gij en ik, o Heer,

Hoe onverbrekelijk is onze Eenheid.

Ik ben slechts in U.

Er is niets anders in den Hemel en op de Aarde Dan Gij en ik.

Erratum: Men leze op pao. 129. te beginnen met den 8>ten regel v. b.: leder ziet U.

En ais men zegt: hij ia groot ! Zal ik aan U denken, eaz.

Sluiten