Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MAN EN HET MAAGDJE.

Kort spel van Verbeelding.

PERSONEN:

Een jonge redenaar. De gedaante, De vrouwen.

Moeder Maria. Het maagdje.

(Het verhoogde spreekgestoelte in een blijkbaar groote vergaderzaal. Het publiek en de zaal is niet te zien. Op het spreekgestoelte een jeugdig redenaar aan het eind van zijn betoog).

De redenaar: En zoo zien we, dat dit het is wat gij, verstokte denkers, het „denken" der engelen noemt. Dante kon hel en vagevuur doorschrijden en kennen en zien wat ervan gekend moest worden, geleid door het hooge, klare Verstand. Maar op den drempel zelf des Hemels, op den drempel zelf van zijn eindelijke redding had hij dit weten als een laatste en hoogste offer te brengen, en den Hemel ging hij binnen als een kind, aan de hand van een vrouw. De vrouw is onze redding, zij is onze gids voor de hemelsche gewesten. Zij is het boek der boeken, en wie zich in haar kan „verdiepen", wie zich in haar kan verhezen, wie uit haar kan lezen, hij heeft voorde ander en voor zichzelve de levende eenheid gevonden, die gij denkers benoemt, doch nooit beleeft, als de eenheid der tegendeelen. Dit is onze redding. Als een kind zult gij het koninkrijk der hemelen beërven, geleid door het eeuwig, moederlijk beginsel. Ik heb gezegd.

(Gul applaus uit de zaal. De redenaar dankt ingehouden en daalt de trap van de katheder af.)

De redenaar: (terwijl hij afdaalt, de gonzende -zaal achter zich latend) God. ik dank U. (De hand op het voorhoofd, innig en hartstochtelijk) God. hoe dankbaar ben ik U. (Hij daalt verder.)

(De trap is eindeloos. Hij daalt, denkende. Naast hem gaat, vanzelf, een gedaante, die hem gelijkt.)

De gedaante: Uitstekend heb je dat gezegd.

De redenaar: Ja, zoo goed heb ik nog nooit gesproken. Alle vrouwen in de zaal heb ik voor me gewonnen.

Sluiten