Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

206

Dan maakten we ons gereed voor nog een korte wandeling in de bosschen.... Mijn gastheer trok een paar stevige schoenen aan, glimlachend over dit toiletmaken in het openbaar, zoo maar sans-gêne („wat zegt u wel van dien verfijnden Louis Couperus?"), een jas werd te voorschijn gehaald, die er tegen kon, en een sportpet en de karwats... en dan stond Brinio daar al te wachten, nauw in toom gehouden door den ouden tuinman, en sprong tegen den baas op, dol in het vooruitzicht van de wandeling, en maakte in een ommezien zijn meesters jas van geel tot modderig zwart.

„Foei Brinio ... foei. Zoo n hond toch !"

En daar gingen we. Mijn gastheer dravend voor mi) uit, stoeiend met den uitgelaten Brinio om een been, om een stokje, dat hij apporteeren moest en niet los wou laten.

Louis Couperus, de zestigjarige, heeft de eeuwige jeugd, de eeuwige jeugd van den begenadigden kunstenaar, wiens liefde tot alle dingen des levens hem dagelijks zich herscheppen doet, in nieuwe omgeving, in nieuwe vreugde, ook al mag hij zelf dan wel eens in een bui van moedeloosheid beweren, „dat dit alles maar... „facade" is.... noodzakelijke „facade", omdat men nu eenmaal „verder moet"

Wij kunnen hem trouwens niet missen. Deze tijd van theorie en analyse, moe van zichzelf, moe van het graven in het verleden en het angstig speuren in de toekomst, kan het optimisme niet ontberen van dezen begenadigde onder de literatoren, die „den dag weet te plukken", die het oogenblik weet te genieten, om der wille van dat oogenblik, blij en argeloos als een kind.

De huldiging bij Kleykamp. (Verslag).

's-Gravenhage. 9 Juni. — In dezelfde expositiezaal van de firma Kleykamp waar hij zoo menigmaal voor een vasten kring van bewonderaars stukken uit eigen werk las, werd Louis Couperus hedenmiddag ter gelegenheid van zijn zestigsten verjaardag gehuldigd.

De ruime zaal was met bloemen versierd. Daar waren groote papavers van, f el-rood tot bleek-rose, theerozen en violen. En te midden daarvan twee troonzetels op het podium, voor den jubilaris en mevrouw Couperus.

Nadat te ongeveer halfvier de jubilaris door Johan de Meester was binnengeleid, sprak de Meester allereerst een woord van hulde tot mevrouw Couperus,, die haar man op zooveel lange en korte reizen begeleidde, en die ten slotte de persoon was, die den schrijver tot het ondergaan van deze officieele huldiging wist te bewegen. Wat niet makkelijk is gevallen. Zich vervolgens tot den schrijver richtende, bracht spr. hem dank voor het vele schoone, waarmee hij de Nederlandsche letteren verrijkte. Boven alles echter voor het feit, dat Couperus zoo herhaaldelijk zijn werkkamer, die tegelijk zijn schatkamer is, heeft verlaten om zich in persoonlijk contact met zijn lezers te stellen en hun, hier op deze zelfde plaats, stukken uit eigen werk voor te dragen. Spr. overhandigde vervolgens een enveloppe met bijdrage in de koopsom van het huis, dat de familie Couperus in De Steeg bewoont en releveerde kortelijks den arbeid van het Comité van Huldiging, waarvan vooral de heer Van Oss als auctor intellectualis moetworden genoemd, èn het verheugende feit, dat zoowel de burgemeester van de stad, waar zoovele van Couperus' romans spelen, als de heer Duparc hier aanwezig waren, welke laatste den minister van O» K. en W. had bewogen.

Sluiten