Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

221

„van mijn soort", die óók praten en praten en praten, die ook willen „weten" wat de liefde is ? Heb je niet gezegd, dat ik ze maar in mijn boeken moest zetten, die mooie woorden, en ze jou moest besparen ? Jij denkt immers zoo diep niet, jij vliegt zoo hoog niet. Jij weet niet of je goed bent of kwaad doet.

O, lieveling, mijn lieveling, o, beste vrouw ter wereld. Jij bent zoo goed, zoo innig goed. Jij alléén bent goed, omdat je het vanzelf bent.

Denk je, dat ik het niet wéét ? Of intresseert je ook dat niet meer, te weten of ik het weet, nu, nu je toch immers „weg" bent en mij „uit je hoofd" hebt gezet, en alles hebt meegenomen wat je me eens hebt geschonken. Je hebt méér meegenomen! Want je laat een wrak achter, één, die niets meer weet en niets meer kan, omdat hij geleerd heeft, dat het niet mogelijk is alléén te weten, alléén te kunnen.

Maar ik doe je geen verwijten. Ik heb niet verdiend ons huis, ons lichte huis, dat je voor me inrichtte als een basis van kracht, als een steun voor alle daden, als een lichte achtergrond voor een leven van nooit falende zekerheid. Ik heb het niet verdiend. Simpele logica van het lot voor hem, die in de sfeer der allereenvoudigste oorzaken leeft en ziet! Ik zit alleen, omdat ik het andere niet verdiend heb. Ik kan niet klagen over een liefde, die nooit de mijne was en uit dien hoofde vruchtbaar zijn. Ik kan niet haten, omdat ik weet, weet van alle kanten, zoodra jij, door je wreede afwezigheid er me de ruimte voor laat. Ik kan alleen zien: hoe eenvoudig, hoe logisch het lot is, dat mij niet mijn oogen ontnam en niet mijn gezondheid ontnam en niet mijn handen tot werkeloosheid doemde, maar eenvoudig het leven zelf terug eischte, dat ik niet aanvaarden kon.

Verder ben ik goed, sterk, ziende, hoorende. Het leven bleef even rijk, even veel. Het leven om mij heen bleef zichzelf. En wat heb ik eraan? Wat met dit alles te doen? Want iets ermee te doen is noodwendig.

Ik weet het niet. Ik kan alleen maar aan jou denken, naar jou verlangen. God zij dank, dat ik nog naar iemand verlangen kan!

Op deze zelfde plaats, in ditzelfde .café, wachtte je op me — jij op mij! nu drie weken geleden, even vóór we ons nieuwe

Sluiten