Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

234

Het is wel een practische gedachte, als men veel schrijft en niet evenredig gelezen wordt, een „Bloemlezing" van d'eigen geestesflora te doen verschijnen, als n.1. de diverse uitgevers der aparte werken daartoe mede willen werken. Wat natuurlijk de vraag is, omdat wie eenmaal een .geestelijken Ommegang" voor duur geld heeft aangeschaft, er niet aan denken zal b.v. „Het Rijk Verdriet" of ,De Zegeningen van ons Fatsoen" of de „Synthese des Gemeenen Kwaads" te koopen, nu hij de edelste bloesems dier litteraire boomen — volgens 's dichters eigen getuigenis — hier bijeen vinden kan. En als diezelfde dichter in de toekomst ook nog andere diergelijke boomen opzet, zal het publiek — zoo staat te vreezen — ook eerst de kat daaruit willen kijken, vóór het zijn zuurverdiende penningen steekt in een zaak, door den schepper zeiven wellicht spoedig voor niet geheel belangrijk verklaard. Hetgeen dan weer een bezwaar tegen het zelf bloemlezen uit d'eigen zieletuin is. Men wordt twijfelachtig aangaande de rest van het gewas.

Maar er is hier ook nog ander verspreid werk bijeengebracht: een procédé, dat men „bundelen" noemt. Men kan alles bundelen wat men ooit schreef, of men kan een selectie ofte uitverkiezing houden en alleen herdrukken wat de moeite waard schijnt. De heer Alberts, naar deze herdrukken te oordeelen, acht veel, zoo niet alles, wat hij ooit geschreven heeft de moeite waard. Zoo herdrukt hij onder den titel „Indisch Persdelict" zelfs de ruzie, die hij eens, via de „Javabode", met den heer Karei Wijbrands, via het „Nieuws van den Dag voor N.-I."had. Wie den heer K. W. ook maar bij name kent, weet al vooruit hoe die heibel er heeft uitgezien, en de niet zeer geestige dialoogjes en zeer onnoozele tooneelstukjes van ). C. P. Alberts, mitsgaders de volmaakt schunnige entrefilets van K. W. en dien anderen, blijkbaar soortgelijken heer (het soort blijkt talrijk in Indië) van het „Bat. Handelsblad", zijn wel zonderlinge „bloemen" in deze litteraire bouquet, bijzonder weinig geschikt om den geur te versterken. Aldus schijnt ons de heer Alberts een uiterst levendig en energiek man, met een „warm temperament" gelijk het heet, maar vrijwel gespeend van zelfcritiek. Zijn verzen zijn van hoogst twijfelachtige waarde, zijn journalistieke artikelen niet minder, maar ook niet beter dan er dagelijks vele geschreven worden en.... onherdrukt blijven, zijn tooneelstukjes, zelfs als polemiek tegen K.W. beschouwd, niet bijster treffend.... Het beste vindt men dan nog in de schetsen „Vie de Bohème", waar de schrijver ons niet onverdienstelijk een bohémien-artiste voorstelt, wonderwel gelijkend op den heer Johan Casper Paul Huberts uit „Een Leven in Vogelvlucht", die eenmaal de heusch bestaande stichter der Haagsche „Kroniek" schijnt geweest. Dewelke heer J. C. P. Huberts ook verwerkt blijkt in dat stukje, waarvan ze in Indië zoo gechoqueerd waren, „Hypermodern". Hoe zoo'n zwakke dichterling doet en denkt en zelfs somtijds werkt, hoe hij van het leven, zonder meer, geniet en door de maatschappij genegerd wordt, dat heeft de heer Alberts, „van binnen uit" goed begrepen en in den eigen toon van den man neergeschreven. Al kon hij er dan ook geen toonbare dramatiek van maken. Deze Bohèmefiguur moet hem zeiven ten slotte zeer verwant zijn, zwak ethisch, zwak philosofisch, zwak mystisch, zwak artistiek, als hij zich ons toont. Maar zijn romantisch sentimentalisme en zijn vitaliteit en zijn gevoel van eigenwaarde lijken geenzins zwak en doen hem soms sprekend op een Multatuli gelijken, wéér een Multatuli-epigoon bij de velen, die er al rondloopen, zijnde een pierig gewas van onvolgroeide individualisten.

„Qroot-Nederland".

FRANS COENEN.

Sluiten