Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

39

verdrinken, maar niet durven. Wat heb ik altijd het land op die laatste vacantiedag, als ik van jullie terug* kom na de paradijsweken daar, die dag dat het altijd regent; en nooit een spontane donderbui, maar alsof kudden meiden in de hemel almaar achteloos vuilwa* teremmers leegen op het treintje dat ons het Holland* sche moeras invoert; als de ruit zoo klappert en het tocht en huilende telegraafpalen voorbijflappen met langzaam klimmende draden — flap, een klos — die dan gaan dalen; als het gutst en spoelt tegen de raampjes en daartusschendoor de meeijlende sloot te zien is. Alle* maal kringen en ringen en strepen die over het water schieten, met bossen russchen, nee: bosschen russchen, die door wervelende winden in allerlei richtingen neer* gemaaid worden en dadelijk weer over*end komen, zoo* dat ik van chagrijn achter m'n krant kruip en vóór Voorburg niet meer wil uitkijken en aldoor me verwon* der dat dat nare landschap nog bestaat en dat we op de kaarten nog steeds niet lezen van „Verzopen land van Delft en Gouda". Nergens wat groots(ch).

Maar vanmorgen was ik begeesterd en moest ik er* kennen dat er kleur zat in dat land met z'n gladroodé daken op 't krasse groen en 't harde luchtblauw er boven, en verder naar 't westen af en toe een scherp* schijnende broeikas als was 't de zon zelf. Aan de oost* kant stond een rij molentjes nijver te wieken langs de Rotte; aan de torenspitsjes overal rondom dommelde de tricolore in de lauwe lucht: menschjesfeest, terwijl opperhoog in de hemelsche gewelven het krielen van onzichtbare leeuweriken trillerde.

Daar was ik bijna te water gevlogen: bij 't bogen om

Sluiten