Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63

In 't Oosten tusschen heuvels en hei, Wacht heet*verheugd mijn lieveling mij. En ik, ik ben van vreugde wild: Mijn lichaam van verlangen trilt!

Ik reik uit het raam en zie almaar Haar schitterende oogen en donker haar,

Haar roode lippen en rijke tanden; Ik voel haar onder mijn klamme handen.

De D*trein bliksemt over de baan: Ik eisch, dat hij bliksemendér zal gaan! Ik hunker naar mijn lief zonnekind; Mijn haren wapperen woest in de wind.

En de klossen zijn aan 't klossen: dawalagiri, dawa*

lagiri,

Zijn aan 't stampen en aan 't stompen, en aan 't

panken en aan 't ponken: Rètete tjienke*tjienke*tjonke, rètete tjienke*tjienke*

tjonke.

Wat een Schwung zat daar in! Het deed hem nóg plezier, hij las het enkele malen over. Allerminst met piëteit: die jubelstemming stond heelemaal op zich* zelf: vreugde óm de vreugde, zonder verder verband, voortgekomen uit een beetje realiteit, geworden tot verrukking om een idéé fixe. Want in Apeldoorn was het veel minder geestdriftig toegegaan. Lien had hem de grootst mogelijke reserve opgelegd; ze scheen vuur* bang voor thuis te zijn: ze meed elk mogelijk samen*

Sluiten