Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66

Laag, had het torenspitsje van Apeldoren uit het groen gestoken, in 't Oosten stond het silhouet van Deventer kleintjes op, de Lebuïnustoren en de Bergkerk met de twee spitsen, lijkend met de hooge rug op een slakkenhuis met lange voelhorens er voor. Honderden en honderden jaren was dat panorama nu al zoo, scheen dezelfde zon uit net zulk wazig blauw op net zulke groene dennen en rood wordende hei*

de ouderwetsch en modern bestond niet, had*i

beseft.

Naar het Westen was de eenzaamheid nog grooter geweest. Van de heuvel was er uitzicht op de diepe, donkere heide, de verre, holgaande heivlakte met vakken duistergroene denneaanplant. Liggende söm* ber uit, lijkende effen als de banen en ruiten van vlieg* velden, uit de lucht gefotografeerd. Terwijl de wijde lichte lucht was een stolp van stilte over het land. Alleen héél zwak er onder, héél laag op de aarde, de slaperige gons van bijen. Maar daar*óver de groote eeuwige stilte, de stilte die verwonderde, die van ver* bazing even deed lachen — de zenuwen moesten zich ontspannen — die onbegrijpelijk was en niet kón duren. Het was alsof hij niet meer was op aarde, alsof hij opgezweefd was. Wat deed het aardsche leven er nog toe, wat waren al de muizenissen in de steden, waar maakte een mensch zich druk mee.... Dat was toen heel sterk tot hem doorgedrongen.

Eindelijk, eindelijk, het fijne fluiten van een trein. Was 't in een andere provincie? Daar, héél ver weg, naar Deventer toe, het openwolken van een stoom* sliert uit het groen. Dat moest bij Oom zijn, was hem

Sluiten