Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

woei, ijlde hij voort over een strand met duinen en lagunen. Het was 8000 voor Christus geworden. Er kwamen randgebergten met ketens en rawijnen — de latere Siërra Madre Oriental — en ofschoon geen dendroloog, herkende hij wel kandelaarscactussen en ceders in avondlicht. En roetrossige rookzuilen: dooreen chocola en vuile wol, kronkelden op uit grauw aarde* werk — die uiterst langzaam omhoog kropen, recht naar boven kringelend, even schuin, en dan stijgend zich spreidend. De Cittelaltepetl en de Popocatepetl; alweer vulkanen! De geschiedenis herhaalt zich....

Theodorik joeg kort langs twee smookkolommen, door de scherp*frissche lucht boven een gletsjer — de opperbergen lagen onder sneeuw — en daalde dan naar een bekken. Daar lag het land van de Azteken, gekomen uit Aztlan, de Lichte Stad in het Oosten,, in Tollan: daar, waar de zon opkwam, hadden ze hun oorsprong, „geboren bij 't zonnegloren, gevlucht voor de ziedende zee" dat moest Atlantis zijn geweest.

Dan, Tenochtitlan, de hoofd* en tempelstad, ont* plooide zich, met pyramiden, torentjes en teocalli, en verdere onnatuur: de tempels in de schelste kleuren, van bloedrood, vuurgeel, luchtblauw en zeegroen — spookachtig onder leegbloedende zon. Theodorik zag mahoniepoorten, en groote opschudding er voor. Doch het was niet om hém — men werd hem niet gewaar — men stelde een stoet op van gewapenden: mannen in witte watten, van wilde katoen, droegen caoutchouc* boogen en pijlen scherp van gruis en glas, vonkend als diamanten. Open schoven de poorten, en de overwon* nenen in de gevoerde oorlogen traden vooruit, door

Sluiten