Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

165

Lien met een jongen, met de fietsen bij zich! Oogen* blikkelijk twijfelde hij er aan, dan, loerend penetrant op elk haartje en huidplekje van haar afgewend gezicht, voelde hij de ontzetting in zich rijzen bij het waar* schijnlijker worden. Onmiddellijk zag hij dan dat het Lien niet was. En kwam de geruststelling, of eigenlijk zijn verlamde spanning, zwaar neergedaald in hem.

Lien kon 'em ook heelemaal niks meer schelen, zei zijn verstand hem kalm. En zijn gevoel zou er verder ook volstrekt onverschillig onder blijven of Line daar al was. Die dame, zoo ze nog leefde, boezemde hem in geen enkel opzicht belang in. Toch was de sensatie nog niet over; er lag een loodzware neerslachtigheid in zijn borst, een tot schreiens drukkende verongelijktheid; gevoel, veel beroerder dan wanneer*i trouwkoetsen naar de Groenmarkt had zien rijden, maar zooals*i lichter wel gehad had bij het lezen in de krant van 't huwelijk van een meisje dat»i goed gekend had, dat jaren bij 'em in dezelfde klas gezeten had. Dat lang met 'em gelijk*op was geweest, en nou zoo'n voorsprong op 'em had geno* men. Alsof hij achterbleef, zijn mooie tijd verging. — Zijn stemming was nou heelemaal beneden peil — hij liep naar huis. Waar An ook al terug was. Theedrinkend en de neerslachtigheid met lekkernij bestrijdend klaarde hij weer op.

Een paar uur later kwam de optocht aan 't station terug en werd Oom met een ladder van de stuurstoel afgeholpen. Werd de stoet uiteen gewerkt, tot in de nacht. Bij stinkende carbidlampen werd er nog een poos geschreeuwd, gehinnikt en op hout getrappeld en ge* klost — dan kon de trein vertrekken. Weer 't Oosten

Sluiten