Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

176

alsof ze uit een droom ontwaakten, dan drong het lang* zaam tot hun door: 't was water. Vóór hun klotste de Waterweg.

Nu werd het wachten op de dageraad. Met verbazing waren ze aan 't einde van hun loop gekomen, met teleur* stelling haast. Geen schip viel in het donker te ontdek* ken: een licht ging vóór de Waterweg aan*uit, aan*uit; ook zoo in 't zuidwesten, daar lag Goeree, en er waren lage toplichten voorgaats aan 't kruisen. De rivier was

één illuminatie: aldoor joeg het torenlicht er over

dicht bij de toren gloeide een groote robijn van rood

een veld van gele en groene lichten was de watervlakte — zeker van boeien, dacht Theodorik. Er was beweging in: ze knipten niet alleen, er veranderden er ook van plaats. Er werden er grooter, een rood en een groen, er waren kleinere gele boven.... topÜchten, er moest een schip naar buiten komen: aan bakboord rood, aan stuur* boord groen van vorenl Zou 't Oom's galjoen zün? Ze tuurden in de zware schemer — geen vorm nog te her* kennen. Theodorik vond de vaart te snel voor een gal*

joen hij meende ook geruisen te hooren. Oom zag

ineens iets rossigs er boven. Keek nog eens scherp, en concludeerde: 't is een stoomer — 'k zie de begloeide rook vlak boven de schoorsteen.

Oom kreeg gelijk. Het kon niet anders dan een stoom* schip zijn, een kanjer van een stoomer. De romp bleef onwaarneembaar, ook toen 't gerommel hun voorbij schoof. Torenhoog was allerlei geel licht, dat moest de stuurstoel zijn, de brug. Boven het water kwamen over een paar honderd meter lengte rosse lichten uit kieren;

Sluiten