Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

225

hij er naartoe gegaan, en tegelijk hadden ze het allebei ontdekt. An had er geen stap dichter bij durven komen, en hij was tusschen de kleeren gaan voelen of er soms papieren op het lijk waren. Niks. En toen hadden ze* zoo slecht en beroerd als 't ging, een kuil er voor ge* maakt — een mensch moest toch een begrafenis hebben — en het daar in gelegd. De armen waren er haast af gevallen, want An had niet willen helpen optillen, en zóó ver was het al heen. Én alléén had*i het zand er over gegooid.

Bij de laatste flakkeringen van het uitgaand vuur, bij koude huiveringen wind, had Theodorik het aangehoord. Geroerd; niet zoozeer om 't lugubere van de vondst, als wel om Annetje. Met een graad antipathie vroeg hij Oom of die dat grafdelven niet had kunnen uitstellen. Oom wees dat af: hij kwam misschien nooit of in geen tijden meer op die plaats; en*i zou niet kunnen hebben dat daar, op zijn eiland, een onbegraven lijk lag. Meteen eindigde hij het gesprek: 't was broodnoodig in huis te gaan en aan 't eten: hij had honger ah? een stapele gek....

In 't kamertje bij de zware warme olielamp kwam An wat bij. En toen Oom even weg was, rabbelde ze kort en fluisterend al het bangmakende van die middag: hoe op de heentocht het fijne zand héél laag over de vlakte voortgestoven was, en later, bij zonsondergang, waren 't allemaal hooge bulten geweest, waar ze inzakten, zonder dat er één korreltje verstoof, terwijl het avond* licht verschrikkelijk akelig er op geschenen had, als op een doodenveld, vond ze. Tevoren waren ze op de plaats gekomen waar de heuvel had moeten liggen. Maar daar

15

Sluiten