Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228

weekheid, zacht als boter. Wanneer het klaar was, snelden ze er met spaden stukken uit en droegen die op planken naar de vormers.

Mannen in vuile hemden waren dat, zweetend van 't zwoegen, die zonder rusten hun metalen werktuig in de plakken klei wegdrukten en zich dan haastig bukten, met behendigheid hun vorm omwippend zoodat de klei in de vorm van een zware steen op de grond te staan kwam, waarna ze ijlings zich weer oprichtten en met een zwaai 't metaal weer in de versche klei sloegen en 't er in wegdrukten. Zoo zetten ze behoedzaam«haastig, hij? gend, steen naast steen op 't effene veldje in de zon.

Zusters op bloote voeten laadden de hardgewordene op een kruiwagen en reden er krieuwend mee weg. Naar een afdak, waar ze los en luchtig werden opgestapeld, waar er de wind door heen woei. Om ze te drogen.

Twee steenovens hadden ze verderop gebouwd. Niet meer dan manshoog, schuin afloopend. Daarheen was druk verkeer. Wagens met kleine zwarte turven kwamen aan uit het laag veen, kruiwagens met bleekblauw ge? droogde kleisteenen van onder het afdak. De vuren van de eene oven werden aan gemaakt, oranjerood: een dik waas witte, gladde rook golfde over de heele lengte van de bovenkant uit. De andere oven was gedoofd en afgekoeld: men bracht er vrachten van de gebakken steenen uit naar buiten. Naar de bouw.

Bij het klooster reden van alle kanten mannen en vrouwen materialen aan en droegen ze naar boven. De vrouwen, star*oogend in geestelijke opwinding, gingen met lange stappen over de stellages, latten zwiepend over de schouder dragend. De mannen, als in trance,

Sluiten