Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

236

aangrijpend, als in zijn kinderjaren die eentonige dreun met huilstem van de beurtzang „herder, herder laat je schaapjes gaan"

Omkijkend zag hij al de jonge zusters in het zijge* welf. Alles zuiver wit en zwart. Van voren wit subtiel en hoofddoek, omgeven*afgezet met zwarte mantel en sluier van rouwzwart, die door een kier het edel*blank gelaat te zien gaf, schoon en sereen als narcisbloemen. En hij ontstelde even: zóóveel jeugdigen die de wereld opgegeven hadden.... Daar moesten ouderen bij zijn, met zon in 't hart het leven ingegaan, maar diep er door bezeerd. En ook, die tegen wil en dank Hier moesten zijn: wanneer de moeder, voorvoelend een moeilijke ver* lossing, vóór de geboorte het kind aan 't klooster had beloofd als God haar de smarten deed doorstaan. Die

wegkwijnden van hunkering naar het volle leven,

dat een mensch maar eenmaal kreeg, ziek, gék wor*

dend missschien die de wereld nog wel gezond zou

kunnen maken Er waren meisjes bij van zeven,

negen jaar, door biechtvaders hierheen geholpen in een jongenspak, stond duidelijk in zijn geest. Eén van die ginds moest Catharina van Naaldwijk zijn; als kind vre* deHevend en verzoenend optredend, met medeUjdend hart. Hij dacht er piëteitvol over door, zag vóór zich hoe ze thuis haar plan in het klooster te gaan te kennen had gegeven, en hoe haar moeder eenige malen flauw geval* len was. Hoe ze daarna, op een groot feest, het vroo* lijkste van allen was geweest en men gedacht had dat ze van inzicht was veranderd, waarna ze ineens naar Die* penveen verdwenen was.

Of die vóór 't huwelijk door schrik voor 't leven en

Sluiten