Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

253

Het hoogst bereikbare was niet*te*zijn, en dat te weten.

Hij merkte in het half afwezig zijn, hoe de broeder die de zaaldienst had, regelmatig naar hem keek. Maar schonk er weinig aandacht aan. Weer ging de schel, weer was er een gebed als eerst, dof rommelend het eind. Er na klonk óók de zuivere zilveren klank — allen verhieven zich. Buigend voor 't groote, majestueuze kruis boven de prior's zetel. De toezichtbroeder was de prior snel genaderd en sprak hem zacht, eerbiedig toe, knikkend met het hoofd naar Deodaat. De prior had een stille wenk voor hem: te blijven, terwijl de anderen zich schaarden op een rij, dan wegtrokken, de jongeren voorop, de zaal uit.

De prior, de hand op zijn schouder leggend, vroeg hem beheerscht*verwonderd waarom hij niet gegeten had? Theodorik zag verlegen op in 't bobslap blozende gezicht met de dameswangen en de éven spot*tinte* lende blauwe oogen. Hij kon geen reden opgeven, hij wist toch dat hij zoo had móeten doen, — en verklaarde het opeens: omdat hij uit den Haghe kwam! De ander scheen het niet te begrijpen. Theodorik wist dat dit tóch de waarheid was — hij zou het hem bewijzen. Want hij was in droom. Dit alles was onwerkelijkheid, hij wou weer wakker zijn, hij eischte het! En hij ver* loor 't bewustzijn.... ontwaakte dan aan de Bezuiden* hout. Kleedde zich vlug aan — de prior wachtte al op de gang. „U moet niet schrikken van de vreemde din* gen die u direct zal zien", zei hij hem, „de tegenwoor* dige menschen vinden die heel gewoon, ze doen hun geen kwaad". De ander stelde hem gerust; hij besefte goed dat andere tijden andere dingen hadden.

Sluiten