Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

254

Ze traden buiten — het eerste wat ze zagen was een electrische tram, die juist aangezet werd en versnelde met een stijgende gierdeun, droog rommelend de wie* len. De prior sloeg een kruis, Theodorik haastte zich hem te verzekeren dat het wérkelijk niets slechts was. Meteen kwam met luid gestommel een trem met bij* wagen aanvrijwielen van de andere kant, propvol mon* daine menschen, maar allen ijselijk stijf, zonder een gezichtsspier te vertrekken. De prior bleef wijdbeens midden op het trottoir staan, met open mond en oogen; schooljongens hielden hun fiets in om naar hem te kijken. Geërgerd greep Theodorik hem bij de arm en trok hem mee stadwaarts. Maar hij bleef alweer staan, ontsteld omziende: een motor kwam er aangeknapperd

met een man er op in duikerpak de einden van de

shawl van 't wezen achterop vlogen woest schuin om? hoog. De dikke prior, voelend aan zijn neus en ooren, maakte een verdwaasde indruk; Theodorik dacht: er is geen praten tegen, en duwde hem vooruit. Daar schoven krakend weer twee trems elkaar voorbij, met hard gebel; er achter trachtte een platte jachtauto een open auto in te halen door een dame bestuurd; een verhuisautomobiel met bijwagen, zwaar denderend, horende druk tegen een auto van de reiniging die aan de verkeerde kant van de straat tegen het trottoir stond; een stoet fietsende kantoorlui raakte in de knel en belde uit alle macht. De prior was geheel ontdaan en niet meer van de plaats te krijgen; waar moet ik met hem heen, vroeg Theodorik zich af; hij kon zoo gauw geen enkele stille plek bedenken, 't Werd even rustiger; de ander deed zijn best zijn waardigheid terug

Sluiten