Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

262

hij niet eens buiten wilde kijken. Theodorik, de heete koffie slurpend, verklaarde dat Oom er werkelijk niet eerder zou zijn of hij al keek.

Hij begon nu toch eenig medelijden met hem te voelen. De arme dwaas, die zich nooit rust gunde, let* terlijk achter z'n idealen aandraafde de heele dag, en 's avonds laat bek*af binnen raakte. Maar hij ging ge* heel op in z'n waan, en wie dat kon was gelukkig.

Hij bleef voor zich uit dampen, starend op de kron* kelende rivier met boompjes er langs op het plaatje van het koffielichtje, warmgeel doorkleurd alsof de zon er scheen, 't Was toch eigenlijk wel vervelend dat uit* blijven van Oom — een beetje kille onzekerheid beefde diep in hem. Tegelijk sprak Annetje het uit, met groote blauwe ongeruste oogen in haar ovaal, rose gezicht: als hij maar geen ongeluk gekregen had! en nou ergens in 't zand lag!

Theodorik puntte ontstemd de lippen; „wat voor een ongeluk zou*i nou kunnen krijgen?!" weerde zijn ver* stand kregelig af, maar in zijn borst werd het kouvlak grooter; hij sprak er niet tegenin. An liep weg naar de buitendeur, hij hoorde haar de klink oplichten. Een tocht kwam langs zijn voeten strijken. Hij werd echt kwaad, riep An terug. Hij zou het Oom straks duchtig zeggen — dat was geen manier, om hun ongerust te maken en zelf zorgeloos zich verlaat te hebben. Maar*i wou het An niet laten merken dat*i zich evenmin op z'n gemak gevoelde, en zei: 't was welbeschouwd nog heelemaal niet laat — het leek wel dat ze al lang wacht*

ten, maar daar viel niks van te zeggen ten slotte

was de zon nog maar kort onder, en vroeg onder ge*

mm

Sluiten