Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

269

roodgebronsd door wind en zon en zeelicht, helblauw hun groote oogen er in. An zorgde nu voor 't middag* maal, hij zat in 't hokje bovenin de kaap, de zwarte vlag aan 't klapperen boven zijn hoofd. Er stonden enkele rookpluimen op zee, maar heel wat mijlen af, en ook een vage romp van een stoomer als een domino* steensdoos — die konden de vlag niet zien. Meer naar het zuiden leken zeilen te zijn, van visschende loggers naari dacht, maar 't was niet merkbaar of ze hier heen kwamen. Zijn maag reutelde van leegte — hij liet zich zakken, ging naar binnen.

Onder het eten huifde weer een ongerustheid over hun. Als Oom nou tóch eens ergens ongesteld lag?? Ze hoopten alle twee van harte dat er gauw een schip mocht komen, dat ploegen mannen alle richtingen zou* den afzoeken.

Na eten was de oceaanwijdte zuiver schoon en zü* verblauw van licht, de rookstaarten waren weg, er kón nog smook nahangen in het zuiden bij de kust, daar dreigde een zware wolk. Geen enkel teeken van een vaartuig, de wind nam af, de zwarte vlag woei nog wel op, maar wapperde niet meer.

An praatte er over dat de zeelui het zoeken niet voor niets zouden doen. Theodorik keek minachtend, dan kalmer, overtuigd dat ze voor een menschenleven wel wat over hadden, dat was genoeg bekend. Trou* wens, ze moesten niet beginnen met te zeggen dat ze zelf wel dachten dat het verloren moeite was.

Ze antwoordde dat ze in elk geval een vergoeding zouden moeten hebben, ze werden midden uit hun vangst gehaald.... Hij was het weer ontwend: als je

Sluiten