Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

275

wel ergens uit te rusten. Hij ging naar An terug in 't eenige nog aangekleede vertrek. Ze zaten er te wach* ten op het vertrek.

Dan kwam de reeder binnen, meldende: de twee uit het noorden waren in aantocht. Licht rilden ze er van. Theodorik voelde daarop een verkalmende beves* tiging, nog met iets angstigs, kouds van binnen. An brak in tranen uit — reactie; of: móchten ze nu wel weg?? Hij wou haar voor ontspanning nog even buiten brengen, regelmatig laten wandelen, en stelde voor, de mannen tegemoet te loopen. Misschien dat zij nog iets meer dan de beide anderen bespeurd hadden.... Ze nam het aan. Ze nam zijn arm. Ze gingen.

Het was geel avondlicht; hun laatste wandeling. Hij maakte de borst ruim, zoog nog eens diep de vrijheid in. De tinkelende watervloed, weer groen, met groote lichtplekken gekwinkeleer, was een heerlijkheid; aan de andere zij de zandzee lag in alle grilligheid van vuur* kleur van een woeste steppe, waar brand achter was en waar de doodsverschrikking maaide. Oom was on* dergegaan in natuurtriomfen, de hoogst mogelijke ver* voering — moest ieder mensch niet liever eindigen wanneer hij zich het sterkste voelde leven? eer de in* zinking volgde en de platte alledaagschheid? Moest na een klimmende jeugdliefde een tweetal niet liever om* komen van vervoering bij het toppunt van on*zinnige verrukking bij het in elkaar opgaan voor de eerste keer? Konden zij beiden óók niet beter sterven?

Ze bereikten de twee mannen. Een conversatie was niet mogelijk, ze kenden maar een half woord Engelsch. Duitsch heelemaal niet. Half met gebaren schenen ze

Sluiten