Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

III. SLAAP.

(Het tooneel is in tweëen verdeeld. Link een kamer, rechts een soort droom-tuin, lieflijk, maar van niet te definieeren vormen. In de scheidsmuur is de bedstede van den Man verondersteld).

(Rechts dansen, spelen en zingen jeugdige, blonde verschijningen, voor een wüle door den Slaap uit heur aardsche woning gelokt.

Ze spelen een wonderlijk, grillig spel, en zingen o.a.:

Daar was eens een kabouterman Vader Jakob, vader Jakob Wie mün gezicht niet lezen kan Hei! 't was in de Mei

' Daar 'ging een pater langs de kant Hei! 't was in de Mei Die houdt van nuj, houdt hü van mü ? Hei! 't was in de Mei

De rozen zün de beste niet Wie alles kan heeft geen verdriet Ik zing... De spoortrein gaat voorbü Hei! 't Was in de Mei...

(Links is een vrouwengestalte de bedstee genaderd. Ze heeft een dampende kop in haar hand en buigt zich voorover).

De vrouw: Jo! (na een wü'le, terwül het rechtsche beeld iets verbleekt): Jo!

(Eén van de verschü'ningen blüft stil staan, luistert in zichzelf en verdwünt in het poortje, dat tot de bedstede voert). De man (in het bed): Ooo!

De vrouw: Sliep je?... Jammer, dat ik je nou wakker maak! Hier is je drank... Neem maar wat, dat zal je goed doen... Hoe is het nu?

Sluiten