Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5.7

De man: Piïn... Alles is voorbü... Het is goed... Mün leven is niets meer waard... De vrouw: Och kom...

De man (zwakke ruzie-toon): Hou jü je ipaar stil... Jü, die alles beter hadt kunnen maken, die me hadt kunnen steunen en helpen, in plaats van alles zoo onnoemehjk te verzwaren...

De vrouw (wendt zich af).

De man: Daar kan je niet op antwoorden, hè... Omdat het waar is... Je vindt het maar niet préttig, dat ik heen ga... Héén ga!!... Ik wü niet dood ...O God, heb medelüden, ik wil niet, nóg niet...

De vrouw: Kom, je moet slapen... Morgen ben je beter.

De man: Ik kan niet meer slapen... Nooit meer... Ik tob maar, tob maar... Geef me dan tenminste een zoen... Waarom doe je het niet?... Kun je niet? Nee, je kunt niet, hè... Je haat me zeker... Je haat jezelf in het wrak, dat je van nüj hebt gemaakt. Dat wil ik je wel zeggen: als je nüj haat, haat je jezelf...

De vrouw (heeft zich snikkend naar hem overgebogen. Ze snikken beiden).

De man (zachtjes): Lieveling... Lieveling...

De vrouw: Je moet nu weer slapen... Zul je ?

(Ze gaat zachtjes weg. Rechts, vlak bü de scheidsmuur, is een figuur komen zitten met een groot, dik boek. Aan den buitenkant, die de poort is toegewend, is het een oude man met lange, grauwe baard, aan den rechterkant een jonge, blonde knaap als de anderen).

De verschüning (vertellend): De vrouw ging toen naar den rechter, die op een gouden troon zat...

De man (roepend): Ben je daar nog?...

De vrouw: Slaap je niet? Kom, je moet nou slapen, heeft de dokter gezegd...

De man: Ik kan niet... Waarom ga je weg?... Jij kunt me ook op élk moment alléén laten... Wat zul jij bhj zün...

De vrouw: Sst! Ik zal het gortüjn dichtdoen... Zoo, is het zoo beter?... Ik ben immers altijd bü je...

De man (kreunt).

De verschüning :Dante droeg eèn lange roode mantel toen hü door de Hemelen schreed. Aan zijn hand ging een vrouw...

Sluiten