Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

126

veel andere, en waardiger wapens bezit om zich in het leven majesteitelijk te doen gelden, kan moeilijk trotsch op ze zün. Het eenige vak, dat dezulken volkomen beheerschen, is het NeoMalthusianisme, de leer der onvruchtbaarheid („Hoe kan ik „genieten" zonder... meester, en zonder „fadmderhjke" gevolgen?"), en als ze huiwen, na veel mislukte pogingen, schenken ze hun man een vervaagde vrouwelükheid, beknabbeld en beknaagd door velerlei onwaardige „experimenten". In de Haagsehe Society noemde men dit vroeger „afgelikte boterhammen". Tegenwoordig heeten ze „geestehjk", „vrü" of wel „bewust", en eischen je medelijden (och, die arme gecompliceerde vrouw!) als ze niet meer in staat blijken de „groote liefde", zoo die zich voordoet, te beleven. Ze kunnen echter allemaal, het dient gezegd, declameeren of dansen, en bepaalde wüsgeerige zinnen, tragi-komisch afroomsel van de theorieën veler langgelokten, en kromgeneusden, in middelmatig Hollandsen te pas brengen.

Het is uit deze overwegingen, dat men veel sympathie kan voelen voor de „nette" meisjes uit de zjg. „betere" standen. Een beetje méér oorspronkelükheid en eigen oordeel binnen de gave grenzen van hun bewonderenswaardig zelf-respekt, en dézen zullen wellicht blü'ken de ware en competente „draagsters" van een nieuwe cultuur te zün, waarvoor de anderen bezig zün als martelaressen te sneuvelen.

Laat ons trachten die anderen voor dit ,,martyrium" dankbaar te wezen! Als „draagsters" komen ze echter niet in aanmerking: noch van een kind of een huisgezin, noch van een... „cultuur"! Daarvoor zü'n ze te slap in de düen.

Sluiten