Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

52

deceptie op deceptie. We hadden ons al goed en wel geïnstalleerd voor den winter (Mien had bereids de geschiktste winkels ontdekt en we maakten al, als echte Genevenaren, onze dagelijksche bedevaart naar het „meer met de Mont-Blanc"), toen plotseling (dat komt altijd „plotseling", b.v. als de Mont de Piété — die in G. zéér aristocratisch is — haar betalingen staakt) de gewone „harde noodzaak" ons weer dwong te verkassen. Holland lokte ons (na deze Zwitsersche meer-illusies!) niet erg aan, en dus besteedden we, de Hemel vergeve het mij,' „het consulaire retourbiljet" alweer voor een dóór-reis.... ditmaal naar Genua. We voelden beiden, dat het mis, erg mis zou loopen, maar de attractie van het begrip „Riviera" was te sterk,

en we hadden het excuus, dat ik bij de Maatschappij „Nederland" in

Genua ongetwijfeld" een betrekking zou krijgen!

De reis was een droom. Tot Lausanne lag het meer in nevels. Omstreeks Montreux boorden de eerste zonnestralen er doorheen en verlichtten vagelijk één van die wonderlijke Geneefsche jonken met gekruiste zeilen. Tot de Simplon bleef het (aan weerszij van het Rhóne-dal) een sprookje van sneeuw-witte kruinen, dan een half uur nacht, dan de bonte Italiaansche bloementuin, het zoo uiterst-teere, „muzikale" blauw van het Lago Mag-

giore, dan Genua. Zonder geld (bijna onmiddellijk) en zonder veel

méér kennis van de taal dan de telwoorden en bepaalde zinnen als „da capo al fine"....

Voeg daarbij, dat Genua van de landzij benaderd, en verder betracht vanuit een goedkoop logementje in één van die duistere stegen van de havenbuurt, niet meer of minder dan een hel is. Nergens (ook niet in het Oosten) zag ik zóón labyrinth van smerige, duistere stegen, die zich bovendien van tijd tot tijd opeens een honderd meter hooger voortzetten (via een Üft of een ruwsteenen trap, overspannnen met de traditioneele, zeer „schilderachige" vuile wasch). Bovendien krijschen de auto's hier als nergens anders op dit luidruchtige ondermaansche en gaat het laden en lossen der mannetje aan mannetje gemeerde schepen (schreeuwende kerels en stoompijpen, rinkelende bellen, brieschende, botsende, rammelende treinen) hier dag en nacht dóór.

Drie weken of daaromtrent verbleven we in dit inferno, levende op macaroni, vijgen en granaatappels (al te zelden afgewisseld met „pana montata , „zabaglione" en „ravioli"!!!). De laatste 2 dagen trakteerden we ons op een uitstapje naar Nervi (o, het blauw van die zee, en die allée van oranjeboomen!), dan aanvaardden we.... enfin: de „terugreis". Dertig uur in de derde klas, met als eenige stoffelijke troost een flesch Chianti en een groot rozijnen-brood.

Laat ik U zeggen, dat Mien mij tusschen Halfweg en Amsterdam vroeg „hoe laat het nu was", dat ik haar antwoordde „twee uur , en dat we geen van beiden begrepen wat dat nu eigenlijk te beteekenen had.... „twee uur". Even later meende mijn vrouw in de Haarlemsche trekvaart de goudkarpers van Saint-Cloud te ontdekken....

En toch alles bij elkaar wat een reis!! God is zoo goed voor

ons zwervers....

Sluiten