Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75

dig!" Waarop ik ze blijkbaar zóó verbaasd heb aangezien en met zóóveel overtuiging heb beweerd, dat er „niets ellendigs op de wereld bestond", dat die brave lieden (wie is er in deze dagen in onze oogen niet braaf en goed!), die me wellicht een gratificatie of iets dergelijks hadden toegedacht, opeens méé begonnen te lachen en me hartelijk de hand schudden.

Jammer van de gratificatie, maar welke artistieke bedelmonnik kan bij een dergelijken rijkdom nog het sociale masker der boetvaardigheid dragen! Hans, wat toen? Ik geloof, dat ik toen naar je Grootmoeder ben gegaan, die in haar groote huiskamer vol kinderen gauw boterhammetjes voor me ging snijden en koffie zetten, en die opeens huilde van geluk — twee groote, witte tranen, zooals ze er bij al haar eigen bevallingen wellicht nog nooit had gestort —; en daarop naar Tante Jo, die goeie, sterke schat — waarin ik nu meer dan ooit mijn eigen moeder terugvond —, die haar gewone boetpredikatie van „werken voor je brood", „onafhankelijke positie" en „verantwoordelijkheid tegenover je vrouw", reeds thans — vijf uur na je geboorte, Hansje! — veranderde in een „verantwoordelijkheid tegenover je vrouw en kind"!

Ten slotte zijn we dan de houtsneden gaan afdrukken, opplakken en verzenden, waarover je in den hierna geciteerden brief aan je lief Moedertje méér kunt lezen.

En eindelijk, eindelijk was het dan zes uur en kon ik gevoegelijk met druiven, bananen, nooten (ter vervanging van vleesch, dat Mien heeft afgezworen), eau-de-cologne en een sjaaltje (ter bedekking van het blauwe boezeroen, waarin we, ten onrechte, vreesden, dat ze ook in bed zou worden gekleed), naar de Camperstraat gaan. „Ik kon nog wel een half uurtje gaan wandelen" zei de Rijksportier, en waarlijk, nog nooit heb ik zóó dociel een rijks-ambtenaar gehoorzaamd: Was het liefste wat ik heb, niet in rijkshanden?

Zoodat ik met mijn zware tasch vol lekkernijen tot zeven uur toe in de Camperstraat heb vertoefd, tot groote hilariteit van enkele bewoners, die (ongetwijfeld door de gewoonte van het zien) niets begrijpen van de heiligheid van het vaderschap.

Klokke zeven was ik echter opeens niet meer alleen, dewijl plotseling uit vele duistere portiekjes een twintigtal vaders met vroolijke gezichten (ik zou haast zeggen: vol binnenpret; er ging waarlijk licht van ons groepje uit) te voorschijn waren getoo-

Sluiten