Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

189

vorm. Zij hebben slechts dit gemeen, dat géén er verlossing vond, zoo hij zich niet wist te verlossen van zichzélf: in iets anders. In wat? In dat wat hij niet was.

De Tempel, die eeuwig is, zoolang de Onuitsprekelijke zich zal blijven uitspreken in tegendeeligheden, is het Lichaam van onze Liefste. Het lichaam van den Ander.

Tot dezen Tempel kwamen ze allen: barbaren uit alle eeuwen en Christenen uit alle eeuwen. Sommigen om wierook te branden of het bloedig offer te brengen of te aanbidden in woorden, gezang of bloot gebaar.

5. Maar ook deze tempel is een vorm, veranderlijk, vergankelijk. Ze vergaat, lieflijk, sterk, schoon als ze was, tot stof.

6. Wat is dan het verschil tusschen dezen tempel, die vergankelijk is en de vele tempels, die vergaan?

De dienst in den Tempel der Liefde eischt lichaam en ziel, dagelijks.

7. Zullen wij dan géén tempel meer bouwen, ten ondergang gedoemd, ze versierend met ornamenten, die geen spoor zullen laten in het stof der eeuwen, en géén God aanbidden dan die ons dagelijks opeischt, naar lichaam en ziel, op het altaar der Liefde? (De God, die is in den Man voor de Vrouw, en in de Vrouw voor den Man?)

8. Wij zullen nog vele Tempels bouwen van steen, van brons, van hout, versierd met de schoonste beelden, gevuld met de kostelijkste bloemen, met wierookgeur, met kleur en klank, met gevoelens van devotie, eerzucht, nederigheid en liefde en er een of ander aangezicht aanbidden van Hem, die waard is aanbeden te worden, omdat hij het Leven is achter dit leven.

En ze zullen allen tot stof vergaan.

9. Wij zullen nog vele tempels bezitten buiten dien Tempel der Liefde, die alles eischt en dagelijks.

Want het is goed, dat de Geest gebonden zij in gezamenlijke aanbidding:

opdat hij niet gebonden worde in den dienst des kwaads; en opdat hij niet tusschenbeiden kome in den dienst der Liefde, die ons gansch opeischt; ons waarlijk zelf.

10. Doch de tijd is gekomen, dat we ons onder al deze tempels,

Sluiten