Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALGEMEENE INLEIDING

13

bijv. de Code Pénal en daarop steunde ook de theorie van Anselm von Feuerbach de z.g.n. theorie van den psychischen dwang. Deze geleerde uit de tweede helft der achttiende eeuw legde voor de afschrikking van allen den nadruk op de strafbedreiging, die tegenover de zinnelijke drijfveer, die tot misdrijven kan voeren, een psychischen dwang moet uitoefenen, welke aan den zinnelijken aandrang zijn kracht ontneemt.1)

Tot de laatste in de onderscheiding sub b) bedoelde opvattingen behooren die, Welke de straf in verband brengen met de speciale preventie, d. i. met afschrikking, verbetering of onschadelijkmaking van den dader.

Daartoe behoort allereerst de z.g'. n. verbeteringstheorie, deze legt naast het algemeen doel der straf, handhaving der rechtsorde, den grooten nadruk op de werking der straf als middel ter verbetering van den misdadiger. De aanhangers! dezer leer, die meestentijds zich voor het strafrecht op het standpunt van het determinisme stellen, verkondigen in verband met en als gevolg van hun ontkenning der wilsvrijheid, dat de straf niet met het goed begrepen belang van den misdadiger in strijd mag zijn. Doel en rechtvaardiging van de straf moeten, meenen zij, gezocht Worden in verbetering van den misdadiger, die door dat middel opgevoed moet worden om weer in de maatschappij te kunnen verkeeren en van zijn volle vrijheid Weer gebruik te kunnen maken.2)

!) De wetenschap, dat de straf op het misdrijf zal volgen, zal, leert v. Feuerbach, den dader van het verrichten van het misdrijf afhouden. Wil de strafbedreiging echter haar kracht niet verhezen, dan moet deze_ door strafoplegging worden gevolgd. De rechtsgrond der straf ligt in de voorafgaande bedreiging daarmee.

v. Feuerbach heeft deze leer 'ontwikkeld in zijn werk: Lehrbuch des Peinlichen Rechts §§ 8 e.v. De strafbedreiging laat de vrijheid onaangetast en vindt haar noodzakelijkheid in de handhaving van de rechten van allen. Hieruit wordt door hem het volgende belangrijke beginsel afgeleid, dat de hoeksteen is geworden van het moderne strafrecht: „nulla poena, nullum crimen sine praevia lege poenali", hetgeen art. 1. W. v. Str. aldus uitdrukt: „Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling." Vgl. ook art. 143 I. Su ■

2) De gedachte, waarvan de verbeteringstheorie uitgaat, straalt reeds door in de versregels door Hoofd geschreven in 1607 en als opschrift gesteld voor de poort van het Spinhuis te Amsterdam:

„Schrick niet, ik wreeck geen quaet, maar dwing tot goedt.

„Straf is mijn hand, maar lieflijck mijn gemoedt".

Sluiten