Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GESCHIEDENIS VAN HET STRAFRECHT

29

een groot deel zich had ingeburgerd en verder aan de aan het adatstrafrecht ten grondslag liggende opvattingen van strafrecht en straf, zijn rechtsongelijkheid, aan het strafstelsel met zijn wreede en verminkende straffen, beginselen, welke alle lijnrecht indruischen tegen de moderne ethische grondslagen, waarop het strafrecht van een beschaafden staat moet zijn gegrondvest, dan behoeft het ons niet te bevreemden, dat de keuze des wetgevers viel op de eerstgestelde mogelijkheid, toepasselijkverklaring van het Europeesche recht, voor zoover daarvoor vatbaar op de Inlandsche bevolking.

Een tweede punt van overweging, thans van formeelen aard, vormde de Volgende kwestie: zou er één strafwetboek zijn, geldende voor alle bevolkingsgroepen, geschoeid op de leest'van het Nederlandsche wetboek en Waarin met de bijzondere behoeften der onderscheidene categorieën der bevolking van Ned.-Indië werd rekening gehouden; of wel zou men eerst een wetboek maken voor Europeanen en dit, voor zoover noodig gewijzigd, op de Inlanders en Vreemde Oosterlingen toepasselijk doen zijn, hetzij door de formeele verklaring, dat het Europeesche wetboek ook voor hen zou gelden, hetzij door vaststelling van een afzonderlijk wetboek, materieel van denzelfden inhoud als dat voor de Europeanen.

De eerste poging no 1848 om hier een strafwetboek in te voeren mislukte; men was daarbij uitgegaan van één Wetboek voor Europeanen en Inlanders.

In 1856 en tenslotte in 1860 werd in Nederland een commissie benoemd, wier opdracht Was om „ter voorziening in de behoefte aan een strafwetboek voor Nederlandsch-Indië zich te belasten met het voordragen van zoodanige wijzingen en aanvullingen van de Code Pénal van 1810, als de eigenaardige toestand der Nederlandsch-ïndische bezittingen en de in het Fransche wetboek hier te lande reeds gebrachte wijzigingen mochten wenschelijk maken." Als resultaat van den arbeid dier Commissie werd een ontwerpstrafwetboek voor de Europeanen aangeboden, dat, vastgesteld bij K. B. van 19 Februari 1866 Stbl. No. 55, in werking trad op 1 Januari 1867. Een afzonderlijk Wetboek voor Inlanders, een copie als het ware van het Europeesche, werd bij Stbl. 1872 No. 35 afgekondigd en trad op 1

Sluiten