Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

50

DE STRAFWET

C. THEORETISCHE EN PRACTISCHE GEVOLGEN DIER ONDERSCHEIDING

De hier gemaakte onderscheiding is, zoowel theoretisch als practisch, van gewicht. Ze doet in het bijzonder uitkomen, dat het strafbare feit is een handelen of laten in strijd met een rechtsvoorschrift; dat de strafbare handeling los en onafhankelijk van de daarop gestelde straf, als een met de norm strijdende gedraging, een onrechtmatige handeling oplevert;1) dat er tusschen strafrecht eenerzijids en privaat-, staatsen administratief recht anderzijds geen verschil in karakter bestaat, doch slechts verschil in de wijze, waarop de Staat zich de gehoorzaamheid aan zijn voorschriften verzekert.

Bovendien leert ze ons, dat voor de geldigheid van een strafrechtelijke bepaling gevorderd wordt, dat de autoriteit van wie ze afkomstig is, bevoegd moet zijn tot het stellen van de norm en de strafbedreiging beide. En tenslotte is een mede uit die onderscheiding voortvloeiend gevolg, dat, ook al mocht de poenale sanctie komen te vervallen, daarmee de norm haar kracht en werking nog niet verliest. *)s)

Uit de in ons wetboek gevolgde wijze van strafbaarstelling mag niet worden afgeleid, als zou men tegen betaling van de straf, de boete, het recht verkrijgen te mogen handelen in strijd met de norm.

*) Dit is in verschillende opzichten van,belang: le voor het begrip „onrechtmatig" bijv. in art. 1365 B. W.; 2e voor bet oordeel omtrent de rechtmatigheid van door de preventieve politie uitgeoefenden dwang en in verband hiermee voor den in vele artikelen voor de strafbaarheid gestelden eisch, dat de ambtenaar in de rechtmatige uitoefening zijner bediening handelde.

2) De stilzwijgende afschaffing van art. 3 sub e) Inv. Ver. betreft, naar 's wetgevers bedoeling, slechts de strafbedreigingen in de niet gehandhaafde verordeningen, geenszins de wettelijke gebods- en verbodsvoorschriften.

3) 't Was de Duitsche rechtsgeleerde Binding, die de hier behandelde onderscheiding en haar gevolgen ontwikkelde en in een helder licht stelde (z. g. n. Bindings Normentheorie). Als gevolg zijner theorie wordt door hem geleerd, dat de norm steeds aan de strafbepaling moet voorafgaan en dat eerstgenoemde tot het ongeschreven recht behoort; verder, dat, waar „opzet" voor de strafbaarheid vereischt is, dat opzet ook moet bestaan t. a.v. de bekendheid met de norm. Naar Bindings meening sluit dus het begrip „opzet" in zich, dat de dader zich bewust was van de wederrechtelijkheid zijner handeling, van strijd met de norm.

Sluiten