Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STRAFWET

55

der stukken, die aan de tot standkoming daarvan zijn voorafgegaan, belangrijke diensten bewijzen (t.w.: de Memorie van Toelichting, de afdeelingsverslagen en de „Handelingen" d. z. volledige gedrukte verslagen van wat in de openbare vergaderingen der Eerste en Tweede Kamer met betrekking tot de wet is gezegd). Den uitlegger der Indische wetboeken staat echter dit hulpmiddel niet ten dienste, waar die wetboeken alle bij K. B. zijn vastgesteld. Voor de verklaring van ons Wetboek van Strafrecht is intusschen de raadpleging van de breede regeeringstoelichting en de andere officieele bescheiden, die het ontwerp vergezelden, van groot nut.1)

Enkele hoofdbeginselen dient de wetsuitlegger steeds in het oog te houden. Ten eerste, dat al is het niet geoorloofd zich krampachtig aan de woorden der wet vast te klampen2) en men zeker rekening moet houden met de bedoeling van den wetgever, de wet uit zich zelf verklaard moet worden. Geen enkele interpretatie-methode is alzoo toelaatbaar, die tot het resultaat zou voeren, dat een uitlegging, die niet vereenigbaar is met de woorden van de wet, toch als wet zou worden aangenomen.3)

En de wetsuitlegger naar de historische methode zij op zijn hoede, dat hij de door hem geraadpleegde bescheiden met verstand en omzichtigheid aanwende, speciaal dat hij niet de bedoeling, door enkelen, die aan den wetgevenden arbeid deelnamen, aan de Wet gehecht, voor de bedoeling van den wetgever aanziet.

We moeten nu nog met een enkel woord gewag maken

!) „Het K. B. van 15 Oct. 1915 No. 33 en dat van 4 Mei 1917 No. 46, Officieele Bescheiden, in opdracht der Regeering uitgegeven van wege het Departement van Justitie", Bat. Landsdrukk. 1918 en „Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht voor Ned.-Indië. Volledige verzameling der ontwerpen met toelichting en de ter zake uitgebrachte adviezen op last van den Min. v. Kol. bijeengebracht door de Bijzondere Comm. uit de Staatssomm. voor do herziening van het Indisch privaat- en strafrecht," Amst J. H. de Bussy 1918.

2) Naar oudere opvatting moet de rechter worden beschouwd als het automatisch mondstuk, waardoor de strafwet spreekt.

») „De wetgever (bedoeld wordt hier de „goede" wetgever) spreekt alleen door de wet zelve", aldus de verklaring van Minister Modderman, Smidt 1, 19.

Sluiten