Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STRAFWET

69

volg, hun familie en gezantschapspersoneel, bijv. den secretaris en den kanselier van de legatie; de bemanning van vreemde oorlogsschepen, ook als ze zich buiten boord bevindt. ')

Ook het staatsrecht levert enkele uitzonderingen op. Grondwet noch wet bevatten een uitzondering met betrekking tot de strafrechtelijke aansprakelijkheid van den regeerenden Koning. Toch dient men aan te nemen, dat de regeerende Koning (Koningin), in wiens naam in den Staat recht wordt gesproken, in wiens naam ook de strafvonnissen worden geëxecuteerd, niet aan de strafwet onderworpen is.2)3)

Het Nederlandsch en Ned.-Indisch staatsrecht kennen nog andere uitzonderingen. Allereerst worde hier gewezen op art. 98 G. W., waar we lezen, dat de leden van de Staten-Generaal, alsmede de ministers, de commissarissen, bedoeld in art. 111 2de lid G. W., en de ambtenaren bedoeld in art. 95 1ste lid G. W. niet gerechtelijk vervolgbaar zijn voor hetgeen ze in de vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk heb■ ben overgelegd (parlementaire immuniteit of onschendbaarheid). Dat er eenig verband bestaat tusschen de geïncrimineerde uitlating en het aan de orde zijnde onderwerp wordt, naar een thans vaststaande rechtspraak, niet gevorderd.

Verder komt in aanmerking art. 66 j° 77 en 63 I. S., dat het beginsel van gerechtelijke niet-vervolgbaarheid uitspreekt ten aanzien van de leden (ook het college van Gedelegeerden) van den Volksraad en de regeeringsgemachtigden, die de beraadslagingen in dezen raad bijwonen. Op dezen regel der parlementaire immuniteit heeft men in het Indische Staatsrecht echter een uitzondering gemaakt: genoemde personen zijn n. 1. wèl vervolgbaar (op grond van art. 322 W. v. Str), wanneer ze, in den Volksraad sprekende of aan dit college schrifturen over-

Wat de consuls, zoowel de consules missi als electi betreft, ze genieten alleen het recht van exterritorialiteit, als hun dat bij tractaat is toegekend.

2) Men heeft wel die strafrechtelijke niet-verantwoordelijkheid afgeleid uit art. 53 G. W., doch ten onrechte, immers de daar bedoelde onschendbaarheid des Konings betreft alleen diens staatkundige handelingen, niet de gemeene delicten, hetgeen duidelijk blijkt uit de in dat artikel in denzelfden volzin volgende woorden: „de ministers zijn verantwoordelijk." Men kan toch bezwaarlijk de ministers bedoelen verantwoordelijk te stellen voor strafbare handelingen door den Koning gepleegd.

3) Het opgemerkte geldt in gelijke mate voor den Regent, die het Koninklijk gezag uitoefent. Betwist is de vraag of de leden van het Koninklijk Huis aan de strafwet onderworpen zijn. Bevestigend v. Hamel blz. 203 en Simons I blz. 95.

Sluiten