Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

128

HET STRAFBARE FEIT

voortvloeiende, hebben voorgesteld; dus hebben gehandeld wetende, de zekerheid hebbende, dat iets zal gebeuren. Voorbeeld: Ardjo besluit om zich te wreken op een snijveldemployé eener suikerfabriek een bepaalden riettuin in brand te steken. Als hij zijn plan wil volvoeren, bemerkt hij, dat een bewaker in het rietveld ligt te slapen, zoodat hij Weet, nagenoeg de zekerheid heeft, dat als hij het riet daar in brand steekt de man tevens zal omkomen. Een ander voorbeeld: iemand heeft züjn schip en lading ver bóven de waarde verzekerd; om de assurantiepenningen te verkrijgen veroorzaakt hij1 een ontploffing; met de vernietiging van schip en lading komt ook de bemanning om.

c). de dader kan zich het intreden van een bepaald gevolg als mogelijk hebben voorgesteld zonder het juist te beoogen.

Men spreekt hier van dolus eventualis, voorwaardelijk opzet. Het bestaat daar, w)aar de handelende niet bepaald den wil gericht heeft gehad op eenig gevolg, doch de mogelijkheid voorziende, dat zijn daad dat gevolg zou kunnen hebben, zich door die voorziene mogelijkheid toch niet heeft laten weerhouden te handelen. Het voorwaardelijk opzet komt veel voor bijl gevallen van vergiftiging. Voorbeeld: een kokki wil haar mevrouw van het leven berooven, ze doet daartoe vergif in het eten, Wetende, althans kunnende vermoeden, dat behalve mevrouw ook de kinderen daarvan eten.

Mag nu ten aanzien van die mede intredende doch niet beoogde gevolgen (sub b en c) de dader gezegd worden die gevolgen opzettelijk te hebben veroorzaakt? Rechtspraak en wetenschap beantwoorden die vraag vrij; eenstemmig bevestigend. l) Alleen bestaat er, speciaal met betrekking tot de

!) Als vaststaande voor onze wet mag men honden, dat een gevolg, ook al is het niet juist het beoogde, ja zelfs al is dat gevolg voor de verwezenlijking van het voorgestelde doel onverschillig of nadeelig, toch als gewild mag worden beschouwd, wanneer zonder dat gevolg dat doel niet kon worden bereikt. Vgl. Arr. H. R. 21 Mei 1900 W. 7461 en v. Rb. Amsterdam 17 Aug. 1894 W. 6573. Voorwaardelijk opzet werd aangenomen bij Arr. Hof Leeuwarden 3 Dec. 1908 W. 8882, waartegen cassatie werd verworpen bij Arr. H.LR. 15 Maart 1909 W. 8842, terwijl in die richting ook wijst Arr. Hof A'dam 9 Maart 1911 W. 9154, bekr. Arr. H. R. 19 Juni 1911 W. 9203.

Sluiten