Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132

HET STRAFBARE FEIT

handeling omschrijft, naar 's wetgevers voorstelling, het opzet reeds in zich sluit. Voorb, artt. 212 en 381. In die gevallen bestaat onzekerheid omtrent het al of niet vereischt zijn van het opzet met betrekking tot de delictsbestanddeelen na het werkwoord in het artikel opgenomen. Een algemeene regel is hier niet te stellen. Voor elk delict en voor elk element afzonderlijk zal de rechter naar eisch van redelijkheid en billijkheid dienen te beslissen. Wenschelijk ware intusschen, indien de wetgever zelf door een uitdrukkelijke uitspraak de hier bestaande onzekerheid ophief.

II. BETEEKENIS VAN DE UITDRUKKINGEN OPZETTELIJK WEDERRECHTELIJK EN OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK In sommige wetsvoorschriften treffen we de uitdrukking opzettelijk aan, terwijl dan in de verdere omschrijving vhet woord wederrechtelijk is opgenomen (artt. 189, 190, 333, 372 en 456). Blijkens bovenopgestelden regel zal voor de strafbaarheid hier noodig zijn, dat des daders opzet gericht Was op het wederrechtelijke der handeling, d. w. z. dat hiji het wederrechtelijk karakter daarvan kende en niettemin handelde. Anders zal het zijn met die artikelen,1) Waarin de uitdrukking opzettelijk en wederrechtelijk, dus onmiddellijk naast elkaar en verbonden door het conjunctief „en" voorkomt. Hier is slechts vereischt, dat de sttafbaar gestelde handeling opzettelijk is gepleegd, terwijl ze tevens objectief wederrechtelijk was.2)

III. BETEEKENIS VAN HET HIERBEDOELDE OPZET Wanneer kan men nu zeggen, dat daar Waar voor de strafbaarheid opzet t.a.v. eenige de handeling vergezellende omstandigheid gevorderd wordt, dat opzet inderdaad heeft bestaan.

1) Bijv. in de artt. 179, 180, 198, 406, 408, 410, 431, 433 sub 1 453 454, 455 en 472.

2) Aldus ook de H. R. bij arrest van 21 Dec. 1914 W. 9756 t. a.v. art. 352 Ned. Swb.

Naar het oordeel van Noyon e. a. zijn de beide hier bedoelde uitdrukkingen van gelijke beteekenis en wordt ook bij het gebruik van de uitdrukking „opzettelijk en wederrechtelijk" gevorderd, dat het opzet op het wederrechtelijke gericht was. Aldus ook arr. Hof Amsterdam 28 Maart 1907 W. 8611; i n gelijken zin ook v. Ossenbruggen Alg. Leerstukken blz. 132 noot

Sluiten