Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

152

HET STRAFBARE FEIT

handelen uit noodweer uitgesloten. Dan kan er immers geen sprake meer zijn van wettige zelfverdediging: het handelen draagt dan allicht het karakter van wraakneming. Zoolang echter bij diefstal de dief het gestolene nog niet buiten onze macht heeft gebracht, achterhaling nog mogelijk is, kan men zeggen, dat de aanranding nog voortduurt en is dus noodweer toegelaten.*)

II. De aanranding moet verder een wederrechtelijke zijn, d.w.z. eens anders subjectief recht of het recht in het algemeen moet erdoor geschonden worden.

Tegen een rechtmatige ambtshandeling, tegen een tuchtoefening van daartoe gerechtigde personen, tegen een maatregel van discipline kan men zich niet op noodweer beroepen. Hieruit volgt evenzeer, dat een beroep op noodweer tegen noodweer en ook tegen noodtoestand niet mogelijk is, immers zoowel de noodweer- als de noodtoestandhandeling zijn geen wederrechtelijke handelingen.

't Feit, dat de aanvaller ontoerekeningsvatbaar is, ontneemt diens handeling niet haar wederrechtelijk karakter, zoodat ook in dat geval van noodweer sprake kan zijn.2)

III. De aanranding moet gericht geweest zijn tegen ons eigen of eens anders lijf (lichaam), eerbaarheid of goed. Het woordje „goed" wordt vrij algemeen opgevat als stoffelijk goed."3) Bij aanranding onzer vrijheid of aantasting onzer eer, dus bijv. bij huisvredebreuk, beleediging enz. *) is een beroep

!) Naar Simons I blz. 252 en v. Hamel blz. 282 aannemen, blijft verdediging door middel van een mechanische inrichting, die werkt op het oogenblik der aanranding, (bv. door het stellen van voetangels en klemmen of wel door het tegen diefstal te beschermen voorwerp te brengen in verbinding met een wapen, dat bij het wegnemen van het voorwerp afgaat) straffeloos, mits aan de door art. 49 gestelde voorwaarden overigens voldaan zij. 't Zelfde werd aangenomen bij v. R. J. Soer. Juli 1892 W. 6232 en Arr. H.G.H. 14 Sept. 1892 W. 6253 Anders echer Noyon aant. 5 ad art. 41.

*) Hij, die zich verdedigt tegen een aanval van een kwaadaardig dier, kan niet gezegd worden in noodweer te handelen; een dier toch is niet aan het recht onderworpen, kan dus ook niet iets wederrechtelijks doen. Hij die in dien toestand verkeert en den aanval van het dier afslaat, handelt in noodtoestand. Vgl. Arr. H. R. 11 Mei 1903 W. 7928.

Als geoorloofd werd door den H. R. beschouwd het gebruik maken van politiehonden door rechercheurs teneinde met hulp daarvan een verdacht persoon aan te houden; diensvolgens werd een beroep op noodweer tegen tegen den aanval van den hond verworpen. Arr. H. R. 3 Mei 1915 W. 9820.

s) In anderen zin echter v. Hamel blz. 283.

*) Aldus ook Arr. H. R. 8 Juni 1917 W. 10066.

Sluiten