Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

170

POGING, DADERSCHAP EN DEELNEMING

of dat een absoluut of een relatief ondeugdelijk middel is, maar dan hebben we slechts te maken met den misdadigen wil van den dader. Deze moet gestraft worden, omdat zijn misdadige wil zich geopenbaard heeft. Die persoon is er geen zier minder strafbaar om, omdat zijn pistool toevallig ongeladen was.

Onze wetgever heeft in deze belangrijke kwestie geen bepaalde uitspraak gedaan, zoodat de oplossing daarvan aan de wetenschap is overgelaten. Intusschen is hierdoor een ernstige rechtsonzekerheid ontstaan; op een vaststaande rechtspraak kan niet worden gewezen. *)

Mij aansluitende bij de objectieve leer meen ik, dat de vraag der al of niet strafbaarheid der poging afhankelijk gesteld moet worden van deze andere vraag: kon de handeling in het algemeen naar haar aard eenig gevaar voor eenig rechtsgoed opleveren ? Van een gevaarlijkheid der handeling in concreto behoeft daarbij niet te blijken. Luidt het antwoord op deze vraag bevestigend, dan is de poging strafbaar.

Een pogingshandeling met een in het algemeen ongevaarlijk middel (suiker bij vergiftiging) is intusschen wèl strafbaar, wanneer de toediening in een bepaald geval (bij een lijder aan suikerziekte) wèl gevaar opleverde; in zoo'n geval wijkt n.1. de onderstelling der niet-gevaarlijkheid van het middel voor het bewijs van het tegendeel en de dader zal, als vaststaat, dat hij desbewust het middel bezigde, strafbaar zijn.

Luidt het antwoord op de boven geformuleerde vraag ontkennend en is dus een handeling gepleegd, waardoor naar den normalen loop der dingen het strafbare feit niet kon worden gepleegd, dan is de pogingshandeling straffeloos. Straffeloos-

*) Als voorbeeld van het verschil in gevoelen bij de rechterlijke macht omtrent de kwestie der absolute en relatieve ondeugdelijkheid zij het volgende geval aangehaald: Eenige jaren geleden stond in Nederland een vrouw terecht beschuldigd haar man te hebben willen vergiftigen; ze had daartoe eiken dag een beetje kopergroen in zijn eten gedaan. De hoeveelheid was echter zóó gering, dat de man wel ziek werd, maar niet stierf. Het Gerechtshof veroordeelde de vrouw als schuldig aan poging tot moord, op grond dat hier een relatief ondeugdelijk middel was aangewend (m. i. terecht) De H. R. intusschen meende, dat hier absolute ondeugdelijkheid aanwezig was en ontsloeg derhalve de vrouw van rechtsvervolging.

[Terloops zjj hier opgemerkt, dat anders dan onder de afgeschafte wetboeken, vergiftiging geen zelfstandig delict vormt, doch onder het misdrijf van moord of doodslag valt. Art. 216 (217) Swb. oud omschreef „vergiftiging" als „elke toeleg op iemands leven door de werking van zelfstandigheden, die met meerderen of minderen spoed den dood kunnen verwekken, op welke wijze ook die zelfstandigheden zijn gebruikt of toegediend, en welke er de gevolgen van mogen zijn geweest".]

Sluiten