Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

190

POGING, DADERSCHAP EN DEELNEMING

daad niet onder strafbare uitlokking. Bij K. B. Stbl. 1925 No. 197 werden na het woord „misleiding" ingelascht de woorden „of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen". Hierdoor is een belangrijke leemte aangevuld. Stellen we eens het volgende geval: A vraagt B geld ter leen, B weigert, doch zegt: „je behoeft waarlijk niet om geld verlegen te zitten, je kunt er gemakkelijk aan komen, ga maar inbreken in het huis van C, die is, naar ik weet, afwezig en heeft veel geld in huis." Vroeger, vóór de wijziging, was B, wanneer A zijn raad opvolgde, niet te straffen wegens uitlokking tot diefstal, immers de uitlokking daartoe had plaats gehad door het geven van inlichtingen en die waren niet als middel in art. 55, al. 1 2° genoemd. Dank zij de uitbreiding valt A thans wel onder het bereik der strafwet.

Met betrekking tot de middelen: geweld, misleiding en bedreiging dient opgemerkt te worden, dat die middelen van dien aard moeten zijn geweest, dat ze de strafrechtelijke aansprakelijkheid van den materieelen dader niet opheffen, daar er anders geen uitlokking maar doen plegen bestaat

Verder vinden we vermeld: giften, beloften en misbruik van gezag. Dit laatste ziet niet alleen op ambtelijk gezag, maar ook op dat van ouders, leermeesters enz. In het algemeen vatte men die uitdrukking op als het: een ander, die in een verhouding' van ondergeschiktheid staat, door middel van zijn gezag bewegen tot het verrichten van de gewilde handeling. Eenvoudige lastgeving wordt echter onvoldoende geacht, noodig is dat bepaaldelijk door den meerdere zijn ondergeschikte een bevel of last wordt gegeven.

In tegenstelling met Ned. Swb. maakt ons artikel ook gewag van misbruik van aanzien. Men beoogde daarmee rekening te houden met speciaal Indische maatschappelijke toestanden.1) Inlandsche Hoofden, Arabieren, hadji's, santri's en goeroe's genieten niet zelden bij de bevolking een groot aanzien; werd nu door hen van dat zedelijk overwicht, dat aanzien, gebruik gemaakt om strafbare feiten uit te lokken, dan zou, als in art. 55, 2o alleen werd gesproken van „misbruik van gezag," de strafwet tegen die lieden niet kunnen worden ingeroepen. Immers wettig gezag oefenen die Arabieren,

!) Officieele Bescheiden blz. 176.

Sluiten