Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

192

POGING, DADERSCHAP EN DEELNEMING

heeft, ontpoppen de beide mannen zich als politieambtenaren en wordt van de overtreding proces-verbaal opgemaakt.

Naar veler opvatting is een dergelijk optreden der politie als in strijd met de waardigheid en eer der justitie ai te keuren; anderen verdedigen het stelsel der lokbeambten op grond dat anders de politie en justitie bij de moeilijkheid tot het constateeren van deze en dergelijke overtredingen,x) voor behoorlijke naleving der wet niet kunnen zorgdragen.

Een andere vraag is die naar de strafbaarheid der daad van den lokbeambte. Naar de meening van de meeste schrijvers valt die handeling onder strafbare uitlokking, indien het opzet van den lokbeambte op het doen plegen der strafbare handeling gericht was en de uitgelokte het strafbare feit of een strafbare poging gepleegd heeft. Dat het motief, waarom hij handelde niet misdadig was, doet aan zijn strafbaarheid niets af. Ook de omstandigheid, dat de lokbeambte zelf de voltooiing van het uitgelokte strafbare feit belet heeft, kan indien een strafbare poging is gepleegd, zijn strafbaarheid niet opheffen.

E. OMVANG DER AANSPRAKELIJKHEID DER UITLOKKERS

De aansprakelijkheid der uitlokkers is, naar art. 55 laatste lid bepaalt, beperkt tot de door hen opzettelijk uitgelokte handelingen en hare gevolgen. De uitlokking heeft een onzelfstandig karakter, ze kan dus niet meer omvatten dan hetgeen werkelijk geschied is, ook al was tot meer uitgelokt. De uitlokker is slechts strafbaar, wanneer zijn daad heeft geleid tot een voltooid delict of een strafbare poging.

Verliest de poging haar strafbaar karakter, doordat de dader vrijwillig terugtreedt, dan blijft ook de uitlokker straffeloos.2) Hij is echter anderzijds voor niet meer aansprakelijk dan waartoe hij heeft aangezet, evenmin voor een handeling, die

*) Zooals hrjv. het onbevoegd verkoopen door een drogist van geneesmiddelen, of het onbevoegd uitoefenen der genees- heel- of verloskunde of de> tandheelkunde.

2) Arr. H. R. 17 Juni 1899 W. 5742 en v. Rb. Rotterdam 17 Juni 191& N. J. blz. 1089.

Sluiten