Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N STRAFVOLTREKKING

267

B. AANWIJZING DER KLACHTDELICTEN, ABSOLUTE EN RELATIEVE KLACHTDELICTEN

Ons wetboek geeft noch een opsomming van de misdrijven alleen op klachte vervolgbaar,1) noch bevat het een algemeene bepaling omtrent den tot klagen gerechtigden persoon. Wanneer de wetgever een delict als klachtdelict wenschte beschouwd te zien, heeft hij dat bij het betrekkelijke strafbare feit in het Tweede Boek vermeld, gewoonlijk met de woorden: „geen vervolging heeft plaats dan op klachte ena."

De klachtdelicten onderscheidt men in absolute en relatieve klachtdelicten. De eerste zijn die, waarbij altijd voor de vervolgbaarheid een klacht aanwezig moet zijn bijv. de misdrijven omschreven in de artt. 284, 287, 293 al. 2, 310, 315, 317 jo 319, 320, 321, 322, 323, 332, 335 al. 2, 369, 483 en 484 jo 485; de laatste, relatieve klachtdelicten, zijn die welke in den regel zonder voorafgaande klacht vervolgbaar zijn, doch waarbij de klacht slechts gevorderd wordt, indien er in een bepaald geval tusschen den dader en de gelaedeerde partij een bepaalde door de wet nader aangegeven graad van bloed- of aanverwantschap bestaat (artt. 367 2° lid jo. 370, 376, 394 en 411).

De hierbedoelde onderscheiding is practisch van belang, wat den inhoud en de splitsbaarheid der klacht betreft:

lo wat den inhoud der klacht betreft: hebben we te doen met een relatief klachtdelict, dan moet de klacht den naam van den vermoedelijken dader of medeplichtige inhouden, iets dat niet vereischt is voor den klacht bij een absoluut klachtdelict;

2o wat de splitsbaarheid betreft: de klacht bij een absoluut klachtdelict is onsplitsbaar d.w.z., dat de klacht als zoodanig het feit vervolgbaar maakt en dat het O. M. op grond van de klacht bevoegd is alle door hem verdachten te vervolgen, ook al ware de klacht slechts tegen een bepaald persoon gericht. Dit nu geldt niet voor een relatief klachtdelict

i) Een dusdanige, opsomming van de voornaamste klachtdelicten vindt men wel in art. 10 Sv., welk artikel echter zijn geldigheid bij de invoering van het nieuwe strafwetboek heeft verloren. In dien zin ook Arr. H. G. H. d.d. 31 Juli 1918 T. Dl. 111 blz. 376, ganders daarentegen Rv. J. Batavia v. 2 April 191S T. t. a. p.

Sluiten