Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IEN STRAFVOLTREKKING

275

De meest gangbare en m. i. juiste opvatting is echter deze, welke slechts identiteit vordert van het materieele feit los van de in de acte van tenlastelegging gegeven rechtskundige omschrijving. De wetgever heeft gewild, dat wanneer eenmaal bij onherroepelijk vonnis over een feit beslist is, tegen denzelfden persoon niet andermalal een vervolging kan worden ingesteld wegens dezelfde materieele gegevens.1) In bovengesteld geval zal dus een tweede vervolging wegens diefstal thans op een dagvaarding, waarin het element der wederrechtelijke toeëigening is opgenomen, niet ontvankelijk zijn.2) Zoo kan na vrijspraak wegens doodslag dezelfde materieele handeling, doch thans gequalificeerd als culpose levensberooving, niet den grondslag uitmaken van een tweede vervolging.

Herhaaldelijk is tevens beslist dat, wanneer vervolgd is wegens diefstal, doch beklaagde blijkt het goed onder zich te hebben gehad, een tweede vervolging wegens verduistering uitgesloten is, immers de tweede strafzaak zou over dezelfde materieele gegevens, doch in een ander juridisch kleed gestoken, loopen. Daarentegen werd bij Arr. van den H. R.3) beslist!, dat wanneer van oplichting is vrijgesproken, een vervolging wegens verduistering betreffende dezelfde zaak niet is uitgesloten, aangezien toch het eerste delict materieel bestaat in het bewegen tot afgifte eener zaak, het laatste in het zich wederrechtelijk toeëigenen daarvan, de materieele gegevens hier dus niet dezelfde zijn.

Verschil van meening bestaat over de volgende vraag: wanneer vrijspraak heeft plaats gehad, omdat de in de tenlastelegging omschreven handeling niet op de daarin aangegeven plaats of tijd heeft plaats gegrepen, kan dan van eene tweede vervolging met een dagvaarding waarin een andere plaats of tijd is

i) Buiten de materieele gegevens valt al datgene wat de subjectieve zijde van het strafbare feit betreft zooals opzet, oogmerk en schuld. Aldus ook Beschikking H. G. H. 26 Sept. 1917 T. dl. 110 blz. 526/527. Deze opvatting i s ook in overeenstemming met de omstandigheid, dat overal waar in het strafwetboek het woordje „feit" gebezigd wordt, daarmee de menschelijke handeling bedoeld wordt behalve in art. 55 2°, waar het kennelijk als „strafbaar feit" moet worden geïnterpreteerd.

*) Vgl. Arr. H. R. 13 April 1891 W. 6022.

8) Arr. H. R. 12 April 1891 W. 6020. Aldus ook Noyon I Wz. 382.

Sluiten