Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

94

van Oldenbarneveld, welke betrekking hij gedurende 10 jaar vervulde en intüsschen vaak gelegenheid had het buitenland te bezoeken en zijne kennis steeds te vermeerderen.

In 1610 verwierf Meursius te Orleans den titel van döctor in de rechten; hetzelfde jaar benoemden hem de curatoren van de Hoogeschool te Leiden tot hoogleeraar in de geschiedenis en grieksche taal en het volgend jaar werd hij door de Staten van Holland aangesteld tot geschiedschrijver.

Toen het hoofd van den grijzen van Oldenbarneveld op het schavot was gevallen en de Nationale Synode te Dordrecht had uitgemaakt dat de Remonstranten ongelijk hadden, werden alle Remonstrantsche hoogleeraren afgezet. Met Meursius ging dat niet zoo gemakkelijk, daar hij zich nimmer met godgeleerdheid had ingelaten en geen enkel bewijs kon worden aangevoerd, dat hij in de godsdienstige twisten dier dagen openlijk partij had gekozen. Toch was hij verdacht wegens zijne verhouding tot van Oldenbarneveld en op alle mogelijke wijzen maakte men hem het leven lastig. Men verweet hem vooral dat hij te veel boeken schreef en zich dus aan zijne taak als hoogleeraar niet geven kon zöoals wenschelijk was.

Meursius aarzelde dan ook niet, toen in 1625 het verzoek van Koning Christiaan IV, van Denemarken, tot hem kwam, om als hoogleeraar in de geschiedenis en staatkunde op te treden aan de heringerichte hoogeschool te Soroë, dit aanbod te aanvaarden. Met groote eer en onderscheiding werd hij er door het Hof en alle geleerden bejegend en bleef er werkzaam tot aan zijn dood, op 20 September 1639.

Het aantal werken door hem nagelaten is buitengewoon groot; de lange lijst zullen we hier niet mededeelen, want allen geschreven in de oude talen, zijn natuurlijk voor het algemeen ongenietbaar, maar voor de geleerden hebben ze zelfs voor een groot deel nog hunne verdiensten en waarde behouden.

Sluiten