Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WETENSCHAP EN FILOSOFIE

I83

Copernicus als een argument ten gunste van de ware theorie van het zonnestelsel, stelde men het vuur, het edelste element, in het midden van het heelal.

Dit was eén overblijfsel van het denkbeeld, dat de orde van het heelal volmaakt moest zijn en dat de volmaaktheid in overeenstemming moest wezen met bepaalde wetten. Zoo waren sommige getallen volmaakt en daarom moesten deze getallen in de natuurverschijnselen overheerschen. Zes was een volmaakt getal, d.w.z. gelijk aan de som van al zijn factoren en daarom moesten er zes planeten zijn.

De Pythagoreèrs echter hielden het getal 10 voor volmaakt, maar waren het in hun denken er over eens, dat de volmaakte getallen op eenige wijze in den hemel terug te vinden moesten zijn. Terwijl zij slechts met negen hemelhchamen bekend waren, beweerden zij, dat er een „antichthoon" (tegen-aarde) bestond, aan de andere zijde van de zon, voor ons onzichtbaar.

Zelfs Huygens was overtuigd, dat, wanneer het aantal der hemelhchamen het getal twaalf bereikt had, het geen verdere uitbreiding kon ondergaan. De scheppingskracht kon niet verder dan dat heilig getal gaan. Het wil al heel wat zeggen, als ge een wereld moet uitvinden, om een theorie staande te houden. Men zocht tot eiken prijs een willekeurige theorie; zoo was b.v. vastgesteld, dat één maat aarde in tien maten water te veranderen is, en één maat water in tien maten lucht.

De consequenties van dergehjke voorstellingen waren zeer merkwaardig.

Sluiten