Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DE OPVOEDING

203

in de Wateren, niets in den Afgrond onder de Aarde, niets in het Menschehjk Lichaam, niets in de Ziel' niets in de Heihge Schrift, in de Kunsten, in de Economie, in de Pohtiek, of in de Kerk, waarmede de kleine candidaten voor de wijsheid geheel onbekend moeten zijn".

Terwijl hij Bacon volgt, wijst hij eveneens het despotisme van het verleden van de hand en verklaart, dat het het recht en de plicht van den modernen mensch is, voor zichzelf de feiten te onderzoeken, of te trachten deze te verklaren. „Zijn wij niet evengoed als de oude filosofen in den tuin der natuur geplaatst? Waarom zouden wij onzen oogen, neusgaten en onzen ooren niet den kost geven evengoed als zij ? Waarom zouden wij de wenken der natuur van een anderen meester dan van onze zintuigen leeren?

Waarom zouden wij, beweer ik, het levend boek der natuur niet ijverig bestudeeren, inplaats van dood papier? Hierin kunnen wij meer dingen beschouwen en met grooter gemak en voordeel, dan iemand ons vertellen kan. Indien wij ergens een uitlegger verlangen, is de Maker der natuur zelf de beste uitlegger". In een dergelijke passage valt de inspiratie van Bacon terstond in het oog.

Aan de paedagogische filosofie van Comenius ligt het principe ten grondslag, dat het de taak der opvoeding is, de bekwaamheden, waarmede de mensch door de natuur is begiftigd, aan te kweeken, om op te groeien in het bezit van een volledige kennis van zichzelf, en de wereld te verbeteren. Zijn theorie was in hooge mate democratisch.

Sluiten