Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DE KUNST

aanpassende neiging kan ik de toenemende populatitelt vermelden van de kinderen, die op godsdienstige schilderijen voor cherubijntjes dienen, maar in wie wij zonder twijfel, met eenige geringe wijziging de Cupido's der oude kunst herkennen. Wanneer zulke neigingen overal meer en meer voorkomen, is het duidelijk, dat wij aan het einde van de specifiek gods[ dienstige kunst gekomen zijn.

Dit beteekent niet, dat de gewijde geest in de Italiaansche schilderkunst verdwenen is. In het vroegste werk van Perugino (Pietro Vannucci 1466—1524) bij voorbeeld, bezitten wij misschien de volmaaktst \ zuivere, vrome kunst, hoewel het zeker een merkwaardig feit is, dat, toen in zijn later leven zijn hebzucht toenam en hij, naar beweerd wordt zelfs ongeloovig werd, hij toch doorging met het drijven van een bloeienden handel in afbeeldingen van Heilige Maagden, heiligen en Heilige Famiües, die alle door den geest van dezelfde flauwe gemoedsontroe! nng getypeerd werden.

In het werk van Francesco Raibolino, of Francia (1450—1517) treffen wij daarentegen een werkelijk godsdienstig gevoel aan.

Twee schilders, van wie wij reeds melding maakten m een voorafgaand hoofdstuk, in verband met Savonarola's preeken, moeten in dit overzicht een plaats vinden vanwege hun geslaagde pogingen om een ware Christelijke kunst te behouden Een van deze is Lorenzo di Credi (1459—1537), die niettegenstaande zijn groote belangstelling voor de' technische zijde van zijn kunst, eigenlijk door de heidensche

Sluiten