Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

302

DE RENAISSANCE

critiek, en de uitbreiding van dezen lust tot de kunst werd natuurlijk door een aanwas van literatuur gevolgd, die zich weer rechtstreeks met hteratuur en technische kwesties bezighield.

Dit zien wij echter niet in de eerste jaren van de wedergeboorte, toen de mensch te enthousiast was over de weergevonden schatten, en in zijn vreugde te ongeduldig was, om zich met kleinere zaken te bemoeien, of zich met analyse, gewicht, of beschouwingen op te houden. Een ras van soberder geleerden volgde echter op dat der hartstochtelijke humanisten en toen begon de critiek in allen ernst. De „Ars Poëtica" van Vida, in 1527 uitgegeven, was de eerste opmerkelijke verhandeling van deze soort. Zij vertoont den machtigen invloed van Horatius, wiens „Ars Poëtica" op dat oogenblik het groote tekstboek der critiek was. Een weinig later kwam de „Ars Poëtica" van Aristoteles meer op den voorgrond en deze werd spoedig de voornaamste authoriteit bij letterkundige besprekingen.

Het is zeker een merkwaardige samenloop van omstandigheden, dat het gezag van Aristoteles in de dichtkunst zich vestigde, juist op het oogenblik, dat zijn lange overheersching op het gebied der filosofie geheel en al ondermijnd was.

Itahë speelde in de hteratuur der critiek, gedurende de zestiende eeuw, de voornaamste rol, waarna Frankrijk de leidende meening kreeg.

Hier was de weg reeds gebaand, voornamelijk door de leden van de bekende Pléiade, een broederschap van zeven vurige mannen, aan wier hoofd Ronsard

Sluiten