Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standing als de zekerheid van het eeuwige leven voor den geloovige is het noodzakelijke. De kerk bouwt voort, belegt haar synodes en concilies, haar kerkvaders formuleeren en betoogen en al vaster groeit het leerstuk over de drie-een-heid. In 325 wordt te Nicea beslecht de strijd tusschen de Arianen en Athanasianen over de wezensgelijkheid en wezenseenheid van den Zoon met den Vader en de kerk stelt vast de wezenseenheid; in 381 wordt ook de wezensgelijkheid vastgesteld van den Heiligen Geest; het groote concilie in 451 te Chalcedon ging over de twee naturen, de menschelijke en de goddelijke, die één waren, en wel onvermengd, onveranderd, ongedeeld en ongescheiden.

Niet zonder strijd groeit dit alles, maar vóór alles wil de kerk de eenheid bewaren, zij wil, zoo 't eenigszins mogelijk is, allen bijeenhouden, verzoenend optreden. Zij kiest daarom nooit éen der uitersten. Als Augustinus en Pelagius strijden over de vrijheid van hun wil, de eerste beweert, dat de mensch absoluut gebonden en onvrij is, de laatste, dat de mensch met goeden wil het goede kan najagen en bereiken, tracht de kerk de uitersten aan elkaar te binden door zich uit te spreken voor een gematigd Augustinisme. Ook in tal van andere strijdpunten neemt zij deze houding aan. Op den groei in dit alles hebben wij te letten, op den organischen groei. Te veel en te lang heeft de voorstelling geheerscht dat de Roomsche kerk enkel maar afdwaling zou zijn van het „eenvoudige

44

Sluiten