Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 4

36

bevoegdheid verleenen tot het geven van lager

onderwijs.

Het vervallen der bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs.

kregen of het candidaatsexamen hebben afgelegd; die dezen graad hebben verkregen of dit examen hebben afgelegd volgens de wet op het hooger onderwijs en de leeraren van het middelbaar onderwijs mogen volgens het laatste lid van art. 130 lager onderwijs geven in de vakken, waarin zij geëxamineerd zijn.

De bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs vervalt: 10 voor hem, die bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is veroordeeld tot een der straffen, omschreven in art. 28, nos. 4 en 5 van het wetboek van strafrecht; (Art. 131 der wet)1);

2°. voor den onderwijzer, die bij het geven van onderwijs leeringen verspreidt, strijdig met de goede zeden of aansporende tot ongehoorzaamheid aan de wetten des lands, indien op voordracht van burgemeester en wethouders of van den inspecteur gedeputeerde staten verklaren, dat deze zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs heeft verloren;

3°. voor den onderwijzer, ten aanzien van wien dit geschied is, omdat hij zich aan ergerlijk levensgedrag schuldig maakt;

4° voor den onderwijzer, verbonden aan krachtens art. 110 ) aangewezen binnen Europa buiten het rijk gevestigde Nederlandsche scholen ten aanzien van wien om de sub 2 en 3 genoemde redenen deze maatregel

is toegepast8); *

5° voor den door den gemeenteraad niet eervol ontslagen onderwijzer, indien gedeputeerde staten verklaard hebben dat hij de bevoegdheid tot het geven van onderwijs heeft verloren; (art. 38 der wet);

6° voor den door gedeputeerde staten niet eervol ontslagen onderwijzer, indien deze verklaard hebben, dat hij de bevoegdheid tot het geven van onderwijs heeft verloren. (Art. 40 der wet.)

Behalve in het onder 1 genoemde geval kan aan hem, die de bevoegdheid tot geven van lager onderwijs verloren heeft, deze bij koninklijk besluit worden terug gegeven. (Art. 132.) De wetgever heeft hierbij overwogen, dat de misdragingen het gevolg kunnen geweest zijn van jeugdigei onbezonnenheid, waarbij beterschap alleszins mogelijk is, zoodat rehabilitatie niet mag worden uitgesloten. Volledigheidshalve moet hier ook nog worden vermeld, dat volgens art. 42 der wet de onderwijzer, die zich ten opzichte

*1 Art 28 van het wetboek van strafrecht luidt: . !D^J*Xl^n de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen. bi, rechterhjke uitspraak

kan worden ontzet zijn: . . ,

4° het zijn van raadsman of gerechtelijke bewindvoerder;

tS£&£*Z!!tt de onderwijzers van welke van deze scholen pen-

noen ten laste van het njk zullen genieten.

») Zie voor het onder 2, 3 en 4 genoemde art. 10 der wet.

Vokens de artt 141 149. 158 en 165 der wet gelden de bepalmgen onder 2. 3 en 4 genoemd ook voor den directeur en de leeraren der kweekscholen en opleidingsscholen.

Sluiten