Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37

Hfdst. VIII § 4

van het bepaalde bij dat artikel*) aan plichtsverzuim schuldig maakt door den Koning hoogstens voor een jaar en bij herhaling der overtreding voor onbepaalden tijd in zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan een openbare school kan worden geschorst. '9$s"kj

Om te voorkomen, dat in strijd met de wet door niet bevoegden bijzonder lager onderwijs gegeven wordt, is bij art. 107 der wet bepaald, dat tot het geven van bijzonder onderwijs behalve een akte van bekwaamheid en een getuigschrift van zedelijk gedrag, zooals die ook tot het geven van openbaar onderwijs noodig zijn, ook nog wordt vereischt een bewijs, dat deze beide stukken door burgemeester en wethouders der gemeente, waar het onderwijs zal gegeven worden, zijn gezien en in orde bevonden. Burgemeester en wethouders geven hiervan aan den inspecteur bericht. Art. 108 bepaalt met betrekking tot dit bewijs nog, dat burgemeester en wethouders omtrent de afgifte daarvan moeten beslissen uiterlijk binnen vier weken te rekenen van den dag, waarop de aanvrage daartoe geschied is. Van die beslissing is beroep op gedeputeerde staten en hooger beroep op den Koning toegelaten. Dit beroep kan ook ingesteld worden, zoo burgemeester en wethouders binnen den gestelden termijn geen beslissing genomen hebben.

Zooals ook de wet van 1878 gedaan heeft2) legt ook de tegenwoordige wet door een overgangsbepaling (art. 190) de rechtspositie vast voor het bij het inwerkingtreden der wet in dienst zijnd personeel. Allen, die bij het in werking treden der wet in betrekking zijn als hoofd van of onderwijzer aan een lagere school voor gewoon, uitgebreid of meer uitgebreid lager onderwijs en als directeur van of onderwijzer aan een kweekschool, behoeven geen herbenoeming of erkenning om hun betrekking te blijven bekleeden.

Evenipin behoeven zoodanige herbenoeming of erkenning degenen, die bij het in werking treden van den algemeenen maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid van art. 4, (zie hiervoor bij het buitengewoon onderwijs hierna) in betrekking zijn als hoofd van of onderwijzer aan een school, behoorende tot een soort, waarop die maatregel van toepassing is.

Volgens de wet van 1878 konden behalve onderwijzers in het bezit van ] voldoende akten van bekwaamheid in de school ook nog kweekelingen wor- 1 den toegelaten, doch slechts om tot eigen oefening en opleiding in de praktijk ( van het onderwijs aldaar behulpzaam te zijn en niet als onderwijskracht. Zij konden volgens art. 8 dier wet toegelaten worden, mits zij: a. hun vijftiende jaar ingetreden zijn en hun negentiende niet volbracht hadden, of de akte bedoeld in art. 77 onder a, (de onderwijzersakte) bezaten; b. tot geen

l) Zie bladz. 61 en 62. a) Zie art. 104 dier wet.

Het viseeren der stukken van een bijzonder onderwijzer.

Geen nieuwe benoeming voor in dienst zijnd personeel.

•Cweekelingen gedurende len overgangstijd.

Sluiten