Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47

Hfdst. VIII § 6

voor de oudercommissies en van het huishoudelijk reglement voor die commissies worden onderworpen aan de beslissing van burgemeester en wethouders.

§ 6. De onderwijzers van het openbaar gewoon lager en uitgebreid lager onderwijs.

In 1920 is ernstig gestreden voor een zoogenaamde republikeinsche Het hoofd school — d. i. een der onderwijzers leider en administrateur, doch de be- der schooislissing bij een vergadering van alle onderwijzers der school. Het hoofdschap d. i. een der onderwijzers niet alleen leider en administrateur, maar ook bij hem de beslissing; de vergadering van alle onderwijzers der school hoogstens adviseur — is echter behouden gebleven.

Volgens het eerste lid van art. 27 der wet is aan het hoofd van elke school een onderwijzér geplaatst, die den leeftijd van vijf en twintig jaren moet volbracht hebben. Door het bepaalde bij art. 15 (zie bladz. 27) kan ook een onderwijzeres aan het hoofd eener school staan, doch dan zal zij de akte art. 134 (akte B) of de hoofdakte moeten hebben; immers kon ook een onderwijzeres met de akte art. 135 (akte A) aan het hoofd van een school staan, dan zou dat in art. 27 uitdrukkelijk bepaald moeten zijn.

Het tweede van art. 27 maakt in zoover een uitzondering op het eerste lid, dat aan het hoofd van een school voor gewoon lager onderwijs en van de school voor uitgebreid lager onderwijs, welke in hetzelfde gebouw zijn gevestigd, mits deze beide scholen te zamen, overeenkomstig het bepaalde bij art. 28, zesde lid, niet meer dan 220 leerlingen tellen — ook die beneden 6 jaar medegerekend (zie bladz. 51) — eenzelfde onderwijzer kan worden geplaatst. In dat geval zal aan de school voor gewoon lager onderwijs een onderwijzer meer werkzaam moeten zijn dan in art. 28 *) is bepaald.

Voor de waarneming van het bestuur eener school wordt door het derde hd ook een uitzondering gemaakt op het eerste lid. Dit bestuur kan tijdelijk worden toevertrouwd aan een onderwijzer, die den leeftijd van vijf en twintig jaren niet bezit of aan een onderwijzeres, die in het bezit is van de akte van bekwaamheid, bedoeld in art. 135. (Akte A). Zoodanige waarneming door een onderwijzer mag niet langer duren dan zes maanden en door een onderwijzeres, als bovenbedoeld, niet langer dan een maand.

Hierbij moet ook nog gelet worden op het eerste lid van art. 192. Het hoofd eener school, die niet de akte als onderwijzer bezit, bedoeld in artikel 134, moet in het bezit zijn van de akte als hoofdonderwijzer, bedoeld in art. 77, onder b, der wet van 1878. De waarneming van het bestuur eener

"■) Zie bladz. 49.

Sluiten